Hans Halkema studeerde elektrotechniek aan de toenmalige Technische Hogeschool in Delft. Dertig jaar lang werkte hij bij Brown Boveri Nederland, thans abb, in de energietechniek, -opwekking en -distributie. Als directielid was hij er verantwoordelijk voor verkoop, ontwerp, fabricage en montage.
Het boek is in die ene zin op de allereerste bladzijde samen te vatten, namelijk dat door het achterhouden van wezenlijke gegevens de bedoeling van de bevorderaars duidelijk wordt: men wil het publiek misleiden.
Hoe doelmatig is een windmolen?
Halkema: Een windmolen is tegenwoordig vaak een zeer ingenieuze machine, maar hij moet zijn energie halen uit een energie-arm en vluchtig medium, 1,22 kg/m3, dat zich bij windkracht 7 met slechts 54 km/uur voortbeweegt. Tot overmaat van ramp is zijn vermogen evenredig met de derde macht van de windsnelheid, wat wil zeggen dat die bij halve snelheid daalt tot 1/2 x 1/2 x 1/2 ofwel 12 procent en bij een-derde tot minder dan 4 procent, waardoor een groot aantal dagen per jaar helemaal geen stroom opgewekt zal worden. Bij de aanschaf moet echter voor zijn maximale vermogen betaald worden. Een ander zwak punt van windenergie is, dat er alleen bij windkrachten tussen 4 en 7 à 8 Beaufort stroom opgewekt zal worden. Boven deze windsterkte gaat een molen buiten bedrijf.
Een forse windmolen zal derhalve niet méér vermogen opleveren dan de motor van een middenklasse-auto of, niet zelden, een redelijk grote motorfiets kan opbrengen. Ik denk dat de voorstanders ook dit nooit zullen vertellen. De officiële cijfers staan in mijn boek: het effectieve vermogen, dus de productiefactor maal het geïnstalleerde vermogen, van 36 windparken met 442 turbines in het jaar 1997 bedroeg slechts 28040 kilowattjaar ofwel 16 procent. De productiefactor geeft in procenten van het maximale vermogen het gemiddelde vermogen aan waarmee geproduceerd wordt. Hij varieert in Nederland, afhankelijk van de standplaats, tussen de 20 en 25 procent met een enkele uitschieter naar 28.
Onze windmolens zijn dus maar voor één-vijfde deel van hun Vermogen effectief werkzaam en vaak voor nog minder. In 2010 moeten 80 windmolens in het Rijmondgebied 120 megawatt leveren. Dat klinkt indrukwekkend, maar effectief zal dat slechts 24 MW zijn. Voor dit project schermt men echter, zie nrc Handelsblad van 15 januari jl, met groene stroom voor bijna 100.000 huishoudens. Jammer alleen, dat zo’n «huishouden» geen enkele technische waarde aangeeft, waardoor dat nooit de controleren zal zijn.
Bovendien heeft een gemeenschap nog ook bedrijven, instellingen, tankstations, polder- en rioolbemaling.
Ook minister Jorritsma is sterk in het door elkaar haspelen van maximale en effectieve vermogens. Zij schreef mij eens dat die gelijkstelling ingeburgerd en handzaam is en daarmee bedondert ze ons dus. Een laatste aspect is het onderhoud. In het MER-rapport van het project Delfzijl-Zuidoost spreekt men van twee tot twaalf revisiebeurten per jaar per windmolen. Wanneer wekken die dingen dan stroom op?
Hoeveel energie kan men in Nederland met een flinke windmolen opwekken?
Halkema: Nog geen tienduizendste deel van wat één redelijk grote machine in een elektrische centrale kan presteren. De betrekkelijk kleine kerncentrale van Borsele kan, zonder enige CO2-uitstoot, evenveel energie produceren als 7250 grote windmolens van 600 kW. Sluiting zou dus buitengewoon onverstandig zijn. Logischerwijze zou men dan ook de invoer van atoomstroom uit België en Frankrijk moeten stoppen èn politieke druk op die landen uitoefenen om hun kerncentrales te sluiten. Nederland handelt hier zeer hypocriet. Verder was de toename van het verbruik in 1997 ten opzichte van 1996 301 MW-jaar; dat vergt de extra inzet van een redelijk grote turbine óf 2500 windmolens – dat zijn er zeven per dag ! – met een ruimtebeslag van circa 6000 hectare, jaar in jaar uit. Lijkt u dat reëel? Zijn we nu écht stapelgek geworden?’
Waar komt het idee dan vandaan?
Halkema: Als gevolg van het klimaatverdrag van Kyoto van 1997 moet het aandeel van duurzame energie in ons land groeien naar 5 procent in 2010 en 10 procent van het totaal in 2020, maar volgens het ECN is dat bij het huidige beleid volgens het «best guess-scenario» 3,7 respectievelijk 5,4 procent.
Van het totale Nederlandse energieverbruik wordt overigens maar iets meer dan 10 procent gebruikt voor de opwekking van elektriciteit. Het totale gebruik was in 1997 circa 9. 132 MW-jaar, waarvan het opwekkingsrendement ongeveer 44 procent was. Zelfs duizend behoorlijke windmolens van 600 kW per stuk produceren met een gemiddelde productiefactor van 0,20 met elkaar slechts 120 MW per jaar ofwel 1,3 procent van ons jaarlijkse gebruik aan elektriciteit.
Minder dan één-duizendste deel van het totale energiegebruik van Nederland. Nu bedraagt de uitstoot uit natuurlijke CO2-bronnen 95 tot 97 procent van het totaal en die door de mens dus 3 tot 5. Het is ondenkbaar dat Nederland door de plaatsing van windmolens daarop enige invloed kan uitoefenen. Het is bovendien de vraag, of de toenemende uitstoot van CO2 oorzaak of gevolg is van temperatuurstijgingen; die kan ook veroorzaakt worden door de al jaren durende verhoogde activiteit van de zon. Al die miljoenen kunnen beter besteed worden aan doelmatiger vormen van «duurzame energie». Ik wijdde daaraan een hoofdstuk.
Hoe haalbaar zijn Noordzeemolens?
Halkema: Die zullen een wat hogere productiefactor hebben dan landmolens, maar ze zullen ook nog veel duurder worden. Hoe die dingen regelmatig onderhouden moeten worden is mij een raadsel. Daarbij slaan de Von Münchhausen-verhalen van prof. Saris van het ECN in het Technisch Weekblad alles: een «stroomakker» met 81.000 molens waarvan er om de 46 seconden één moet worden nagezien, die onmogelijk onderling elektrisch kunnen worden verbonden en wier immens maximaal vermogen met geen mogelijkheid aan het Europese net kan worden aangesloten. Met dergelijke onzin worden hordes mensen om de tuin geleid. Op een brief aan ECN om technische uitleg kreeg ik taal noch teken. Verbaast mij niets.’
Ik ken alle fictie en feiten van de windmolens ook niet.
Het enige feit is dat we energie te kort komen. Dit zullen we op moeten lossen met alternatieven.
ir. Halkema heeft het over een middenklasser auto die net zoveel energie op kan wekken als een windmolen. Er zijn windmolens die 2000 huishouden jaarlijks van stroom kunnen voorzien. Als een middenklasser net zoveel energie verbruikt als 2000 huishoudens zie ik al een oplossing van het energie probleem. De effectieve energie die gebruikt wordt voor een auto is dus ook nihil. En het levert nog niks op ook. Of een televisie, die kost ook alleen maar stroom. Dit is alleen maar vermaak.
Laten we dus niet zeuren over de effectiviteit van een windmolen. Feit is dat tegenwoordig een windmolen net zo goedkoop energie kan leveren als een kolencentrale. Er wordt dan nog geen winst gemaakt. Dit gaat dus veranderen zodra de gasprijs weer stijgt.