De algemene indruk is dat het moslim antisemitisme een geheel 20e eeuws product is naar aanleiding van het langdurige Arabisch-Israëlisch conflict. Dit soort denken bepaalt ook, dat dit antisemitisme een los bijeenraapsel is van herkauwde Christelijke jodenangstdenkbeelden en -motieven. Van de ,,Protocollen van de Ouderen van Zion” uit het Tsaristische Rusland tot de standaard Nazi-propaganda. Deze stelling negeert echter een grote en unieke Islamitische vorm van moslim antisemitisme, zowel in het verleden als in het heden.
‘Dhimmiheid’ is een instelling, waarmee de status wordt bedoeld van joden (en christenen), die in het door de jihad veroverde gebied onder het juk van de Islam moesten leven voor meer dan een millennium. Deze instelling vormt de belangrijke Islamitische achtergrond voor het lelijke Arabisch moslim antisemitisme wat vandaag de dag zo zichtbaar is. Zelfs als alle anti-joodse christelijke of nazithema’s zouden verdwijnen uit de Arabische wereld, zou de erfenis van jihad en dhimmiheid nog steeds intact zijn, tezamen met de contributie aan het moslim antisemitisme. De discriminerende houding, die we vinden in Islamitische samenlevingen heeft haar oorsprong in de Koran, die wordt aangeduid als ‘beschaving’ of dhimmiheid. Moslim antisemitisme als een originele vorm van jodenhaat werd in de 20e eeuw gepersonifieerd door de woorden en daden van Hajj Amin el-Husseini.
Zoals gedocumenteerd door de voorname wetenschapper op het gebied van Dhimmiheid, Bat Ye’or, zijn er ontelbare Koranverzen en Hadith-gezegden (dit zijn gezegden toegeschreven aan de profeet Mohammed), die de joden associëren met de hel en satan. Ze geeft drie overtuigende voorbeelden van deze associatie.
Ten eerste; Ibn Abdun (die stierf in 1134 en een moslimjurist was in Spanje) citeerde van de Koran (sura 58:20) en goot het in een juridische Vorm: ,,Satan heeft meesterschap over hen (de joden), en zorgde dat ze de herdenking aan god vergaten. Deze zijn satans partij: waarom satans partij zeker de verliezers zijn!”
Ten tweede; een decreet door de Kalief Al-Mutawakkil (850), schreef voor: ,,houten afbeeldingen van duivels moeten worden gespijkerd aan de deuren van hun huis om hun te differentieren van de huizen van moslims.”
Tot slot; joodse begraafplaatsen werden verondersteld een deel van de hel te zijn, waar dhimmis naar toe werden gebracht.
Een wetenschapper over het antisemitisme, genaamd Professor Robert Wistrich, vat het algemene Koranbeeld over de joden als volgt samen:
,,er zijn duidelijk scherpe passages, waarin Mohammed de joden als vijanden aanwijst van de Islam en hij ze voor stelt als hebben ze een slechte en opstandige geest. Er zijn ook verzen die spreken over hun gerechtvaardigde vernedering en armoede, zoals ,,de joden die zijn belast met de toorn van god” voor hun ongehoorzaamheid. Zij moesten worden vernederd, ,,omdat zij de tekenen gods niet hadden geloofd en de profeet onrechtmatig hadden gedood”" (sura 2:61/58)
Volgens een ander vers (sura 5:78/82); ,,de ongelovigen van de Kinderen van Israël” werden vervloekt door zowel David als Jezus. Als straf voor het ongeloof in de tekenen gods en in de wonderen verrichtende profeten werden zij veranderd in apen en varkens” (sura 5:60/65).
De orale traditie (hadith) gaat veel verder en zegt, dat de joden in samenhang met hun perfide karakter, opzettelijk de pijnlijke en langdurige vergiftigingsdood hebben veroorzaakt. Verder zijn slechte en complotterende joden schuldig aan de sektarische strijd in de vroege Islam, voor ketterij en afwijkingen, die de eenheid van de umma (de moslimgemeenschap) in gevaar bracht.
Dhimmiheid institutionaliseerde deze Korangedachten over joden als een volk dat vernedering verdiende. Onder het juk van de dhimmiheid in de moslimlanden werden de meest vernederende beroepen voor joden gereserveerd, inclusief die van beul, grafgravers, het zouten van afgehakte hoofden van rebellen en de schoonmakers van latrines (specifiek werd dit in Jemen van joden gevraagd tijdens hun heilige Sabbat). De Islamitische samenlevingen toonden ook hun eigen unieke vormen van grove onderdrukking van joden, die niet werden gevonden in christelijk Europa, zoals de ontvoering van joodse meisjes voor de harems van moslims, slavernij (inclusief vrouwen en kinderen) gedurende oorlogen, opstanden of voor economische redenen (bijvoorbeeld, het onmogelijk kunnen betalen van jizya, een soort losgeld en speciale persoonsbelasting alleen voor niet-moslims, de plicht in sommige regio’s zoals de Maghreb (Noord-Afrika) voor joden om blootsvoets te lopen buiten hun huizen, het verbod voor Perzische joden om buiten te blijven als het regende, omdat de angst bestond dat deze de moslims zouden bevuilen.
Ten aanzien van slavernij in het bijzonder waren, tot aan hun uittocht in 1948, Jemenitische joden letterlijk moslimbezit. Hier is een uittreksel van een essay van de wetenschapper Bat Ye’or:
,,Dus, als een jood, die behoort tot stam A, wordt gedood door een moslim van stam B, dan moet een jood van stam B worden gedood door een moslim van stam A. Ergo, twee joden werden gedood, zonder dat de moslim werd gearresteerd. Dit was een spel, dat kon doorgaan voor generaties als een vorm van wraak. In dit juridisch systeem werd een jood als een object gebruikt, net als een kameel en werd buitengesloten van het rechtssysteem.”
In het midden van de 19e eeuw werden er verdragen opgelegd door de Europese machten aan het verzwakte Ottomaanse rijk, deze betroffen ook de zogenaamde Tanzimat-hervormingen. Deze hervormingen waren ontwikkeld om een einde te maken aan de discriminatoire wetten van dhimmiheid primair voor christenen, als ook voor joden, die leefden onder de Ottomaans-moslim heerschappij. In navolging van het emancipatie-edict (Hatt-i Humayn) van 18 februari 1856 voorgesteld door Sultan Abd-al-Majid, probeerden de Europese consuls de naleving in stand te houden van ten minste twee kardinale principes: het respect voor het leven en bezittingen van niet-moslims en het recht voor christenen en joden om bewijsvoering te geven in Islamitische gerechtshoven, wanneer een moslim daarin een partij was Helaas faalden deze pogingen om het concept van moslimsuperioriteit over ‘infidels’ te verwisselen met het principe van gelijke rechten. Als reactie veroorzaakte de emancipatie van het dhimmi-volk door het gehele Ottomaanse rijk, het Midden-Oosten incluis, gewelddadigheden tegen die ‘infidels’ die dorstten gelijkheid te claimen met lokale moslims. Om de wetten op dhimmiheid af te schaffen, moest het Ottomaanse rijk worden ontmanteld. Dit gebeurde eindelijk na de Onafhankelijkheidsoorlogen in de Balkan en gedurende de Europese mandaatperiode na de 1e wereldoorlog.
Zelfs ten tijde van de naoorlogse mandaatperiode bleek er een sterke Arabische moslimstroming te zijn die een geïntensifieerde Koranleer in alle scholen introduceerde (aan alle scholieren, inclusief de non-moslims) en het herstel van de dhimmiheid. Deze trend werd versterkt door de Moslimbroeders, opgericht in 1928. De oprichter hiervan, Hajj Amin el-Husseini van de Palestijnse Arabische Beweging was, was ook de voormalige Mufti (hoofdgeestelijke) van Jeruzalem. Beide bewegingen en met name de Palestijnse Arabische Beweging onder Hajj Amin el-Husseini, probeerden populaire steun te vinden via hun virulente anti-joodse opruiingen.
Hajj Amin el-Husseini werd aangesteld als Mufti van Jeruzalem door de Britse Hoge Commissaris in mei 1921. Dit was een titel die hij behield voor het leven, in navolging van de Ottomaanse praktijk. In zijn gehele carrière liet hij zich inspireren door de anti-joodse motieven in de Koran om de Arabieren op te ruien. Zo riep hij, gedurende de aanstichting die leidde tot de Arabische opstand in 1929, op om de joden te bestrijden en af te slachten, niet alleen Zionisten. In feite waren de slachtoffers van deze opstand joden van de eeuwenoude dhimmi-gemeenschap (bijvoorbeeld in Hebron), in tegenstelling tot de recente Zionistische kolonisten.
Met de opkomst van Nazi-Duitsland in de jaren 30, intensiveerde de Mufti en zijn aanhangers hun antisemitische activiteiten om steun te verkrijgen uit Hitler-Duitsland, van Bosnische moslims en van de gehele Arabische moslimwereld om daarmee een jihad te ontketenen om de joden van Palestina uit te moorden. Na zijn uitzetting uit Palestina door de Britten organiseerde de Mufti een brute anti-joodse pogrom in Baghdad in 1941, tezamen met een mislukte poging om een pro-Nazi Irakese regering te installeren. Hij vluchtte naar Europa na deze mislukte staatsgreep en verbleef gedurende de gehele 2e wereldoorlog in Duitsland en Italië.
Vanuit zijn toevluchtsoort verleende hij steun aan de Duitsers door middel van het rekruteren van Bosnische moslims, tezamen met moslimminderheden uit de Kaukasus om toegewijde SS-eenheden te vormen (SS-Skanderberg en SS-Handzjar Division). De doelstellingen van de Mufti voor deze rekruten en voor moslims in het algemeen, werden duidelijk via zijn geregelde Berlijnse oorlogsuitzendingen, welke werden gehoord in de gehele Arabische wereld; een internationale campagne van genocide tegen de joden.
Gedurende zijn uitzending op 1 maart 1944 zei hij: ,,Doodt de joden, waar je hen ook vindt. Dit behaagt god, de geschiedenis en de religie.”
Hajj Amin maakte een belangrijke contributie aan de Duitse oorlogsmachine in Joegoslavië, waar Bosnische Moslim SS-eenheden werden gerekruteerd (in het bijzonder de Handzjar Division), die lokale anti-Nazi verzetsbewegingen onderdrukten. Het Mufti-pamflet getiteld ,,Islam en de joden” werd gepubliceerd door de Nazi’s in het Kroatisch en Duits om te worden gedistribueerd aan Bosnische Moslim SS-eenheden. Deze haatdragende propaganda diende om de joden en Serviërs af te slachten.
En niet zonder succes; de Bosnisch Moslim Handzjar SS-Division was verantwoordelijk voor de vernietiging van hele Bosnisch-joodse en Servische gemeenschappen met inbegrip van de massamoord op joden en Serviërs, almede de deportatie van overlevenden naar Auschwitz om daar vergast te worden. Deze verschrikkelijke misdaden, waarvoor de Mufti direct verantwoordelijk was, hadden overigens maar een beperkte uitwerking op de totale vernietiging van de Europese joden in vergelijking met zijn duivelse oorlogscampagne om de joodse emigratie van Europa naar Palestina te verhinderen.
De Mufti verkreeg de rechtstreekse persoonlijke steun van prominente nazi’s zoals Himmler en Eichmann voor zijn onaflatende tirades aan Duitse, Roemeense en Hongaarse overheidsfunctionarissen om de annulering te bewerkstelligen van ca. 480.000 uitreisvisa uitgereikt aan joden (80.000 in Roemenie en 400.000 in Hongarije). Als resultaat werden deze ongelukkige individuen gedeporteerd naar de Poolse concentratiekampen. Een document gepresenteerd aan de Verenigde Naties in 1947 bevatte een brief van de Mufti van 28 juni 1943 aan de Hongaarse minister van buitenlandse zaken met het verzoek om Hongaarse joden te deporteren naar Polen. Dit bevatte tevens de aantekening: ,,Als vervolg op dit verzoek werden 400.000 joden daaropvolgend gedood.”
Na de oorlog vluchtte de Mufti naar het Midden Oosten om daarmee zijn arrestatie en mogelijke vervolging voor oorlogsmisdaden te voorkomen.
De Mufti was onophoudelijk bezig met zijn uitingen van virulente jodenhaat als focus voor zijn ideologie na de 2e wereldoorlog en de oprichting van de staat Israël. Journalist en auteur David Pryce-Jones lichtte de eminente status van het antisemitisme toe in de bittere erfenis van de Mufti:
,,Dit waren dan de beeltenissen en vooringenomen stellingen, waar Hajj Amin (de Mufti) aan kon appelleren, toen hij de leidende Palestijnse machthebber werd. In zijn memoires, die hij schreef aan het einde van zijn leven, werd het bankroet van deze beeltenissen en vooringenomen stellingen absoluut duidelijk. Hij sprak steeds over de joden als ,,berucht voor perfiditeiten en falsificaties en wreedheid voor welke de Koran het sterkste bewijs bevat” Zijn haat voor joden was instinctief, sektarisch; hij wenste ze neer te slaan, terwijl hij in hun gezicht verklaarde, ,,Niets anders dan het zwaard zal de toekomst voor dit land beslissen” Dat dit bewaarheid werd te midden van de ramp en de ruinering was de nalatenschap van Hajj Amin aan de nakomelingen.”
De inzichten van Pryce-Jones onderstrepen de diepe impact, die de persoonlijke opvattingen en haatdragerij van de Mufti aan de ontwikkelingen van de Arabische en Palestijnse politieke cultuur hebben gehad in de laatste helft van de 20e eeuw tot aan de dag van vandaag. Het is onweerlegbaar, dat het virulente antisemitisme van de Mufti de Arabische politiek ten aanzien van Israël beïnvloed. Het is daarom niet verbazingwekkend, dat Yasser Arafat al op 16 jarige leeftijd werkte voor de Mufti om terroristische aanslagen te plegen. Arafat beschouwt tot op heden de Mufti als zijn primaire spirituele en politieke mentor.
Andrew G. Bostom is adjunct hoogleraar medicijnen aan de Medische Faculteit in Brown University in de Verenigde Staten.
Hij was jarenlang resident in het Midden-Oosten.
Vertaling door Albert Spits.
Schokkend om te horen hoe moslims met joden zijn omgegaan. Maarre, dit zijn ‘moslims’ en NIET de Islam. Wordt er zo moe van om te zien dat mensen op alle mogelijke manieren de Islam een schop willen geven. Leuk dat er verzen uit de Koran zijn gebruikt maar die zijn wel uit hun context gerukt, net als de uitspraken van de Profeet (vzmh). Deze Andrew Bostom zou zich eerst eens moeten verdiepen in de Islam voordat hij zulk soort uitspraken doet. Nogmaals, het is beestachtig van ‘moslims’ als ze zo met hun broeders en zusters zouden zijn omgegaan, maar de schuld hier is menselijk, niet de Islam.
Als laatste wil ik zeggen dat een dhimmi ongeveer 1,8% betaalt van zijn vermogen (om kerken/ synagoges te bouwen), en hiermee van de zakaat gevrijwaard is, terwijl de moslim 2,5% afstaat. Grappig dat hij dat er niet bij vermeldt.
MvG
Yassine