In de jaren negentig is de economie van de Verenigde Staten aanzienlijk sneller gegroeid dan die van Europa en Japan. Net als sterrenstelsels raken de drie economische machtblokken steeds verder van elkaar verwijderd. Jean-Philippe Cotis, chief economist van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in Parijs, spreekt van de `3-2-1′ regel. In de VS stijgt de productie per hoofd van de bevolking trendmatig met 3 procent per jaar, terwijl de welvaartsgroei in Europa op gemiddeld 2 procent blijft steken. In Japan neemt de productie per hoofd met een schamele 1 procent per jaar toe. In doorsnee produceert een Amerikaan inmiddels 40 procent meer dan een Duitser, Fransman of Italiaan, en bijna 30 procent meer dan een Japanner.
Het markante en toenemende verschil in economische prestaties van de drie blokken komt deels doordat een groter deel van de Amerikaanse bevolking bij het productieproces is ingeschakeld. In Europa staan veel meer mensen aan de kant. Zij zijn werkloos, arbeidsongeschikt verklaard of vervroegd gepensioneerd en dragen dus niet bij aan de nationale productie. Het verschil in economische performance ligt echter niet alleen aan deze uiteenlopende participatiegraad. Amerikanen maken ook meer uren. De werkweek in de VS is langer en de vakantie duurt korter dan in Europa. Hierdoor draaien zij meer productie. Bovendien gingen de Amerikanen in de jaren negentig per uur steeds meer produceren, onder andere omdat het land vooropliep bij de toepassing van informatie- en communicatietechnologie. Aan die verbetering van de productiviteit konden werkenden in Europa niet tippen.
In de recente studie The Sources of Economic Growth in OECD Countries benadrukken OESO-economen dat de structurele groei-achterstand van Europa voor een belangrijk deel het gevolg is van het door nationale overheden gevoerde beleid. Ze schrijven het omzichtig op, want de bekritiseerde landen op het oude continent betalen via hun contributie aan de OESO een flink deel van het salaris van de onderzoekers. Maar wie tussen de regels door leest, kan de boodschap niet misverstaan. In veel Europese landen staat een groot deel van de potentiële beroepsbevolking door het stelsel van sociale zekerheid nodeloos buitenspel. Voor werkgevers loont het niet om minder gekwalificeerde mensen in dienst te nemen tegen het in verhouding hoge wettelijk minimumloon. Minder gekwalificeerde individuen komen daarom alleen aan de slag met behulp van forse loonkostensubsidies, vooral in de collectieve sector. Verder verminderen de in verhouding royale uitkeringen de noodzaak dat werklozen elke baan pakken die hun wordt aangeboden. Onder andere hierdoor blijft de werkloosheid hoog, terwijl vacatures voor ongeschoold werk openstaan of worden vervuld door illegale werkkrachten.
De goede sociale voorzieningen in Europa hebben nog een ander effect. In theorie valt bij hoge en langdurige werkloosheid te verwachten dat de lonen worden gematigd. Net als bij andere goederen leidt een ruim aanbod van arbeid tot neerwaartse druk op de prijs (het loon). Bij een overvloedig arbeidsaanbod en starre lonen lopen werknemers een steeds groter risico hun baan te verliezen. De goede sociale voorzieningen beperken echter de inkomensachteruitgang na baanverlies. Hierdoor wegen werknemers het ontslagrisico minder zwaar mee bij hun looneisen, en kiezen vakbonden bij loononderhandelingen eerder voor hoge lonen dan voor lage werkloosheid.
Een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid gaat gepaard met een hoge belasting- en premiedruk. Hoge collectieve lasten stuwen de lonen in Europa extra op, met negatieve gevolgen voor werkgelegenheid en economische groei. Dit wordt empirisch aangetoond in een zojuist verschenen rapport waarin Albert van der Horst, werkzaam bij het Centraal Planbureau, nagaat in hoeverre het overheidsbeleid op het gebied van belastingen en sociale voorzieningen in de afgelopen dertig jaar heeft bijgedragen aan de situatie op de arbeidsmarkt. Behalve de VS zijn vijf Europese landen, waaronder Nederland, in de analyse betrokken.
Dit type economisch onderzoek maakt duidelijk hoe Nederland zich kan herpositioneren op de `1-2-3′ meetlat. In navolging van de Verenigde Staten kan de overheid het wettelijk minimumloon verlagen, uitkeringen versoberen en fiscale faciliteiten voor vervroegd uittreden beëindigen. Dit prikkelt mensen beschikbaar werk aan te pakken, langer door te werken en het zet een rem op de looneisen van de vakbonden. De collectieve lasten kunnen dan omlaag en de economische groei komt blijvend op een hoger plan te liggen. Hierdoor valt na verloop van tijd meer welvaart te verdelen, waarvan iedereen profiteert.
Nederland bewandelt hierbij tot nu toe de weg van de geleidelijkheid. In de afgelopen kwarteeuw is het minimumloon stapsgewijs achtergebleven. Het bedraagt inmiddels de helft van het gemiddeld verdiende loon, in plaats van twee derden. Ook de uitkeringen zijn versoberd. Het kabinet-Balkenende II wil deze lijn voortzetten. Dat zal in september tot veel protesten leiden.
De kwestie is duidelijk: zowel kiezers als gekozen politici moeten beslissen waaraan zij de voorkeur geven: meer werkgelegenheid en 3 procent economische groei, of behoud van de bestaande sociale zekerheid, veel vrije tijd en straks amper meer dan 1 procent groei per jaar.
Dit artikel verscheen eerder in het NRC, op 03-07-2003.
“Dit type economisch onderzoek maakt duidelijk hoe Nederland zich kan herpositioneren op de `1-2-3′ meetlat. In navolging van de Verenigde Staten kan de overheid het wettelijk minimumloon verlagen, uitkeringen versoberen en fiscale faciliteiten voor vervroegd uittreden beëindigen. Dit prikkelt mensen beschikbaar werk aan te pakken, langer door te werken en het zet een rem op de looneisen van de vakbonden. De collectieve lasten kunnen dan omlaag en de economische groei komt blijvend op een hoger plan te liggen. Hierdoor valt na verloop van tijd meer welvaart te verdelen, waarvan iedereen profiteert.”
DIt klopt op meerderde punten niet: door zowel de uitkeringen als het minimumloon te verlagen verandert er niks aan het inkomensverschil tussen werklozen en mensen die voor het minimumloon werken. Maar belangrijker: er wordt maar immer van uitgegaan dat werklozen niet willen werken, terwijl het in tijden van hoge werkloosheid juist de werkgevers zijn die aarzelen mensen in dienst te nemen. De mensen die gewoon werkten in de voorspoedige economische tijden worden toch niet ineen tegelijk lui als het wat slechter gaat?
En daarbij: waarom zouden we Amerika überhaupt achterna willen? Er zijn meer, en belangrijker zaken dan het aantal miljonairs in een samenleving. Bovendien: al zal het gemiddelde inkomen dan misschien stijgen, de overgrote meerderheid van de mensen zal dan juist veel minder verdienen dan nu het geval is. Wat hebben we te klagen met onze huidige positie? Sterker nog: het is, als je erbij nadenkt dat in de huidige samenleving schijnbaar iedereen steeds geld heeft voor het nieuwste mobieltje, elke paar jaar een nieuwe auto, merkkleding e.d., schandalig dat niemand iets meer geld over heeft om ouderen en mensen die de pech hebben ziek te worden een beetje fatsoenlijk te behandelen.
Als geld alles is wat een samenleving groot maakt, blijf ik liever klein.