Honderden miljarden per jaar uitgeven voor een beperking van de uitstoot van broeikasgassen is zonde van het geld, schreven Hans Labohm en Dick Thoenes twee weken geleden in het dagblad Het Parool. Onzin, betoogde Rob van Dorland van het KNMI verleden week in Het Parool. Een dupliek van Hans Labohm, Simon Rozendaal en Dick Thoenes.
Hans Labohm, Simon Rozendaal en Dick Thoenes, het boek Man-Made Global Warning: Unravelling a Dogma, ISBN 0906522250, euro 60.In het dagblad Trouw , bijlage Letter & Geest, van zaterdag 14 februari 2004 schreef Hans Labohm Het milieu-manifest. De introductie van zijn artikel luidt: “De kosten van het Kyote-verdrag bedragen enkele honderden miljarden dollars per jaar. Daar staat een netto temperatuurverlaging tegenover van 0,02 (tweehonderdste!) graad Celsius in 2050. Dat is op een normale thermometer niet waar te nemen.” Al decennialang wordt de westerse wereld geteisterd door een steeds langer litanie van milieu-angsten. Volgens econoom Hans Labohm zijn er goede redenen voor dit alarmisme. |
|
|
Op 7 februari werd een reactie gepubliceerd van Rob van Dorland, werkzaam bij de afdeling klimaatonderzoek en seismologie van het KNMI, op de recensie van de Parooljournalist Kees Tamboer van ons boek Man-Made Global Warning: Unravelling a Dogma. In zijn reactie bekritiseerde Van Dorland onze stelling dat honderden miljarden per jaar uitgeven voor een beperking van de uitstoot van broeigassen, in het bijzonder CO2, zonde van het geld is.
In het bijzonder gaat hij in op onze beschouwingen ten aanzien van het wereldtemperatuurverloop in de vorige eeuw. De gemiddelde temperatuur op aarde is in die honderd jaar zo’n 0,6 graad hoger geworden. Maar bij nader inzien blijkt dat deze opwarming de resultante is van periodes van temperatuurstijgingen (1900-1945: plus 0,45 graad en 1975-2000: plus 0,35 graad) en temperatuurdalingen (1945-1975: min 0,2 graad). Daarbij rijst de vraag hoe het mogelijk is dat in het midden van de twintigste eeuw de gemiddelde temperatuur daalde, terwijl de hoeveelheid broeikasgassen – vooral na de Tweede Wereldoorlog – toenam?
Van Dorlands antwoord op die vraag was gedetailleerd en technisch. Hierbij onderscheidde hij natuurlijke en menselijke factoren die van invloed zijn op de temperatuur. Onder de natuurlijke factoren noemde hij: vulkaanuitbarstingen die stofdeeltjes in de atmosfeer brengen die een afkoelende invloed uitoefenen; het optreden van El Niño, een opwarming van de zeewatertemperatuur ten westen van Peru, die een grote invloed uitoefent op de mondiale gemiddelde temperatuur; en de activiteit va de zon, die eveneens schommelingen vertoont. Onder de menselijke factoren noemde hij de uitstoot van broeikasgassen.
Wanneer men voor al deze factoren, die wisselen in de tijd, de juiste waarden in de computer invoert, komt daaruit een temperatuurverloop dat grote gelijkenis vertoont met het historische temperatuurverloop. Daarbij blijkt tevens dat de menselijke factor substantieel is. In kwalitatieve zin zijn wij het met de argumenten van Van Dorland eens, in die zin dat wij met hem geloven dat al deze factoren bepalend zijn voor het wereldtemperatuurverloop. Maar wij stellen vraagtekens bij de kwantitatieve invulling die hij daaraan geeft, waarover hij – terecht – opmerkt dat deze gebaseerd zijn op ‘de beste schattingen’ van de natuurlijke factoren. Wij betwijfelen of deze schattingen goed genoeg zijn. Daarenboven stellen wij vast dat bij deze berekening belangrijke factoren buiten beeld zijn gebleven.
In de modellen waarop de projecties van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change, een soort denktank op klimaatgebied voor de wereldgemeenschap) zijn gebaseerd, wordt bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de zeer complicerende effecten van de interactie atmosfeer/water en het gedrag van waterdamp.
Daarenboven bestaat onduidelijkheid over de betrouwbaarheid van de metingen van de oppervlaktetemperaturen. In de stad is het vaak warmer dan op het platteland. Naarmate de steden zich uitbreiden ontstaat een vertekening van de temperatuurmetingen die wordt aangeduid als stadseffect (urban heat island effect). Temperatuurmetingen met behulp van satellieten (sinds 1979), die nauwkeuriger zijn dan grondmetingen, laten geen significante opwarming van de aarde zien.
Ook over de rol van de zon bestaat naar onze mening onzekerheid. Het KNMI acht de variatie van het zonlicht miniem. Vele andere onderzoekers geloven dat de zon ook een heel andere invloed op het klimaat heeft, namelijk via komende het straling. Omdat het mechanisme daarvan niet precies bekend is, al bestaan er vermoedens (een invloed van de zon op de wolkenvorming), wordt daarmee geen rekening gehouden in de computermodellen. Dat de zon de hoeveelheid kosmische straling op aarde beïnvloedt, staat vast uit geologisch onderzoek. Dat die veranderingen vroeger samenhingen met klimaatveranderingen, is ook buitengewoon waarschijnlijk. Waarom zou dat tegenwoordig dan niet meer opgaan?
Verder is onlangs een studie gepubliceerd waaruit naar voren kwam dat de zon sinds ongeveer 1970 actiever is dan in de laatste duizend jaar, zelfs tijdens de warme Middeleeuwen. Natuurlijk staat daarmee niet vast dat het effect van de zon op dit moment dus belangrijker is dan het versterkte broeikaseffect, maar het is niet onwaarschijnlijk. Feit is in elk geval dat de grafiek van de zonneactiviteit (gemeten aan kosmische straling) in de twintigste eeuw veel meer lijkt op de grafiek van de temperatuur dan er overeenstemming is met de grafiek van de CO2-uitstoot.
Kortom, er ontbreken volgens ons nog belangrijke stukken van de legpuzzel, waardoor het totaalbeeld vooralsnog onvoldoende duidelijk is.
De kritiek in ons boek Man-Made Global Warning: Unravelling a Dogma bestrijkt overigens een aanzienlijk breder terrein dan de onvolkomen klimaatwetenschappelijke onderbouwing van het Kyoto-verdrag (dat betoogt de door de mens veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen te beperken). Daarnaast gaan wij ook gedetailleerd in op de (on)mogelijkheden van een systeem van verhandelbare Co2-emissierechten. Wellicht dat het politiek haalbaar is een systeem op te zetten dat economisch gezien niet al te veel pijn veroorzaakt. Maar een dergelijk systeem zal niet tot een substantiële vermindering van de uitstoot van broeikasgassen leiden en kan dus niet effectief zijn. Een systeem dat in dat opzicht wél effectief is, is daarentegen politiek onhaalbaar.
Maar ons belangrijke bezwaar is dat de kosten-batenverhouding van Kyoto niet deugt. Wij blijven ons erover verbazen dat de overheden hierover nog geen informatie aan parlement en publiek hebben versterkt. Deze gang van zaken lijkt ons niet correct.
Wij herhalen nog maar eens wat we eerder hebben geschreven: Kyoto kost de deelnemende landen honderden miljarden euro per jaar. Daar staat een netto afkoeling van 0,02 (tweehonderdste!) graad Celsius in 2050 tegenover. Dat is op een thermometer niet waar te nemen. Kortom, veel geld voor een onaantoonbaar c.q. virtueel resultaat.
Niet doen dus.
Zie de 12 februari lezing van prof. John Hagelin: Dark matter.
Hij geeft in een schitterende lezing de feiten weer zoals wij mensen er nu naar kunnen kijken;
de relevantie van het Heelal tot de Aarde.
Mijn conclusie is dat het onzin is om te kijken naar de minimale temperatuur variatie op onze planeet.
We zijn minder dan een punt in de Ruimte en de gemiddelde Temperatuur van het Heelal is 2.5 graad boven het absolute Minimum…
Denken de Rood/Groenen nou echt dat we het klimaat kunnen beheersen door allerlei voorschriften te verzinnen. En dan de Ambtenarij laten controleren?
Zoals nu de Vogelvrij-controles in NL op de snelheid van een automobiel ?
Alleen de Ambtenarij wordt er beter van.
In mijn ogen is meer dan de helft van de Ambtenarij een werkeloze met een bezigheid.