<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	>
<channel>
	<title>Reacties op: De grote vergissing in het islamdebat</title>
	<atom:link href="http://www.libertarian.nl/wp/2005/02/de-grote-vergissing-in-het-islamdebat/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.libertarian.nl/wp/2005/02/de-grote-vergissing-in-het-islamdebat/</link>
	<description>Libertarian.nl - De Startpagina voor Individuele Vrijheid</description>
	<pubDate>Thu, 09 Sep 2010 11:02:27 +0000</pubDate>
	
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
		<item>
		<title>Door: Dr. J. van Kampen</title>
		<link>http://www.libertarian.nl/wp/2005/02/de-grote-vergissing-in-het-islamdebat/comment-page-1/#comment-1217</link>
		<dc:creator>Dr. J. van Kampen</dc:creator>
		<pubDate>Fri, 25 Feb 2005 14:39:25 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://www.libertarian.nl/wp/2005/02/de-grote-vergissing-in-het-islamdebat/#comment-1217</guid>
		<description>Ik ben het met uw laatste paragraaf eens. Maar oh-oh-oh wat gaan we akademisch tewerk... Mijn observatie is, dat allochtone muslims (overal in Europa!) doorgaans de Qur'an wel uit hun hoofd kunnen citeren, maar dit Heilige Boek meestal niet zelfstandig begrijpend in het Arabisch kunnen lezen. Onder allochtoon te verstaan al degenen die verweven zitten in en/of zich niet bevrijden (kunnen) van voor hun huidige leefomgeving niet gangbaar te achten kulturele tradities (door familie in b.v. Marokko of Turkije). Het is mij bij onderzoek gebleken, dat deze groep niet zelden een levensstijl vol 'tradities' hanteert, die wel aansluit bij die van hun land van herkomst, maar onwrikbaar vaststaat t.o.v. de kulturele verworvenheden in het nieuw vader- of gastland (waar dit ook is!). Voor 'uitleg' van Islam is deze groep overwegend aangewezen op de opinie van voorgangers, waarvoor niet zelden het vorenstaande evenzeer geldt. De essentie van Islam wordt daarbij vergeten: "... voor de hele Mensheid het besef dat wij respekt moeten hebben voor God en Zijn schepping met alles dat daarin is".
Angstwekkend en zorgbarend onbespreekbaar blijft voor deze groep, dat de Qur'an uit twee duidelijk te onderscheiden delen bestaat - die met poëtische Goddelijke openbaringen uit Mekka en de politieke-, tijds- en regio gebonden opvattingen uit Medina. Zomede begint de Qur'an met de Suras 2 en 3, welke te duiden zijn als Aardse-, politieke manifesten uit Medina en allerminst als spirituele openbaringen uit de mooie tijd in Mekka. Beide Suras en hun plaats in de Qur'an (voorin) veroorzaken bij herhaling misverstanden en misinterpretaties, dus moeilijkheden. Nöldeke identificeerde tenminste 44 Suras die feitelijk niet in de Qur'an thuishoren en tot het machtsstreven van de profeet Mohammed gedurende diens tijd in Medina behoren. Wanneer de Qur'an niet in een rustige, intellectuele en weloverwogen dialoog met deskundigen op orde kan worden gesteld en begint, waar dit Boek te beginnen hoort (Suras 96, 74, 111, 106, 108, 104, 107, 102, 105, 53 e.v.) en alszodanig wordt geherevalueerd, moet men rekening blijven houden met Freudiaans "Unbehagen an der Kultur" van de zijde van "islamitische traditionalisten", die feitelijk eerder 'Mohammedanen' zijn, dan echte cosmopolitische muslims! Een muslim is een moderne, liberale en ontwikkelde wereldburger, doordrongen van het besef dat hij een verantwoordelijke, zelfstandig denkende en coöperatieve rentmeester moet zijn over alles dat God hem in dit leven heeft beschoren. Niet dat hij een moordenaar moet zijn vanwege hem ooit door Opa aangepraatte, lang achterhaalde dorpstradities... Dat is geen Islam. Men mocht het eens vergeten!
</description>
		<content:encoded><![CDATA[<p>Ik ben het met uw laatste paragraaf eens. Maar oh-oh-oh wat gaan we akademisch tewerk&#8230; Mijn observatie is, dat allochtone muslims (overal in Europa!) doorgaans de Qur&#8217;an wel uit hun hoofd kunnen citeren, maar dit Heilige Boek meestal niet zelfstandig begrijpend in het Arabisch kunnen lezen. Onder allochtoon te verstaan al degenen die verweven zitten in en/of zich niet bevrijden (kunnen) van voor hun huidige leefomgeving niet gangbaar te achten kulturele tradities (door familie in b.v. Marokko of Turkije). Het is mij bij onderzoek gebleken, dat deze groep niet zelden een levensstijl vol &#8216;tradities&#8217; hanteert, die wel aansluit bij die van hun land van herkomst, maar onwrikbaar vaststaat t.o.v. de kulturele verworvenheden in het nieuw vader- of gastland (waar dit ook is!). Voor &#8216;uitleg&#8217; van Islam is deze groep overwegend aangewezen op de opinie van voorgangers, waarvoor niet zelden het vorenstaande evenzeer geldt. De essentie van Islam wordt daarbij vergeten: &#8220;&#8230; voor de hele Mensheid het besef dat wij respekt moeten hebben voor God en Zijn schepping met alles dat daarin is&#8221;.<br />
Angstwekkend en zorgbarend onbespreekbaar blijft voor deze groep, dat de Qur&#8217;an uit twee duidelijk te onderscheiden delen bestaat - die met poëtische Goddelijke openbaringen uit Mekka en de politieke-, tijds- en regio gebonden opvattingen uit Medina. Zomede begint de Qur&#8217;an met de Suras 2 en 3, welke te duiden zijn als Aardse-, politieke manifesten uit Medina en allerminst als spirituele openbaringen uit de mooie tijd in Mekka. Beide Suras en hun plaats in de Qur&#8217;an (voorin) veroorzaken bij herhaling misverstanden en misinterpretaties, dus moeilijkheden. Nöldeke identificeerde tenminste 44 Suras die feitelijk niet in de Qur&#8217;an thuishoren en tot het machtsstreven van de profeet Mohammed gedurende diens tijd in Medina behoren. Wanneer de Qur&#8217;an niet in een rustige, intellectuele en weloverwogen dialoog met deskundigen op orde kan worden gesteld en begint, waar dit Boek te beginnen hoort (Suras 96, 74, 111, 106, 108, 104, 107, 102, 105, 53 e.v.) en alszodanig wordt geherevalueerd, moet men rekening blijven houden met Freudiaans &#8220;Unbehagen an der Kultur&#8221; van de zijde van &#8220;islamitische traditionalisten&#8221;, die feitelijk eerder &#8216;Mohammedanen&#8217; zijn, dan echte cosmopolitische muslims! Een muslim is een moderne, liberale en ontwikkelde wereldburger, doordrongen van het besef dat hij een verantwoordelijke, zelfstandig denkende en coöperatieve rentmeester moet zijn over alles dat God hem in dit leven heeft beschoren. Niet dat hij een moordenaar moet zijn vanwege hem ooit door Opa aangepraatte, lang achterhaalde dorpstradities&#8230; Dat is geen Islam. Men mocht het eens vergeten!</p>
]]></content:encoded>
	</item>
	<item>
		<title>Door: Ewald Vervaet</title>
		<link>http://www.libertarian.nl/wp/2005/02/de-grote-vergissing-in-het-islamdebat/comment-page-1/#comment-1216</link>
		<dc:creator>Ewald Vervaet</dc:creator>
		<pubDate>Mon, 14 Feb 2005 09:08:59 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://www.libertarian.nl/wp/2005/02/de-grote-vergissing-in-het-islamdebat/#comment-1216</guid>
		<description>Hieronder mijn reactie op het AIVD-rapport van 23 december (Van dawa tot jihad: &lt;a href="http://www.aivd.nl/contents/pages/10835/notavandawatotjihad.pdf)" rel="nofollow"&gt;http://www.aivd.nl/contents/pages/10835/notavandawatotjihad.pdf)&lt;/a&gt;


Amsterdam, 3 januari 2005,

Geachte heer Van Hulst,

Het rapport Van dawa tot jihad van uw dienst heb ik gelezen. Ik wil u complimenteren met dit rapport, want het bevat vele degelijke en belangrijke begripsbepalingen en analyses.
Omdat Van dawa tot jihad 'inzicht biedt in de conceptuele onderbouwing van het onderzoek binnen de AIVD naar de radicale islam' (rapport, p.7) en ook voor burgers is bedoeld, reageer ik met het bijgaande. Dit doe ik vanuit m'n onderzoek naar de wetenschapsgeschiedenis van de islamitische culturen en naar het verband tussen die geschiedenis en leerstellingen van de islam.

In bijlage I plaats ik aanvullende opmerkingen bij enkele sterke punten in het rapport. Zo gaat punt A in op de islamitische optiek op ronselen en rekruteren en vult punt G het takiyya-begrip aan met de leer van de koranische pedagogie. Ook wordt het onderwerp 'geringe weerstand van moslims en niet-moslims' aangestipt, in de punten D, F,  G en H.
In bijlage II leg ik u enkele gedachtes voor over de begrippen orthodox en fundamentalistisch. Ze stellen ons mijns inziens in staat Van dawa tot jihad in een scherper daglicht te plaatsen. M'n kernpunten zijn:
a. De daden van radicale moslims wortelen in de leerstellingen van de orthodoxe islam. De vraag in noot 14 van het rapport bijvoorbeeld, of de democratische staatsinrichting wordt afgewezen omdat ze als onislamitisch wordt gezien of omdat ze westers is, moet worden beantwoord met 'Omdat ze onislamitisch is' (bijlage II, punt 4).
b. De opkomst van de liberale islam naast de orthodoxe islam zal zeker lastig (en wellicht bloedig) worden en het bevorderen van de liberale islam verdient aanbeveling boven het bevorderen van een islamitische Verlichting.
Alle verwijzingen hebben betrekking op Van dawa tot jihad.

Desgewenst ben ik bereid tot nadere toelichtingen en

Met vriendelijke groeten,

E. Vervaet

P.S. De heren T.P.L. Bot en W.M. van Gemert van uw dienst ontvangen eenzelfde brief.

Bijlage I.  Aanvullende opmerkingen

A. Ronselen en rekruteren. Het lijkt me juist om de beschrijving van de radicale islam te beginnen bij de dawa. Vanwege de islamitische eenheid van kerk en staat worden in de dawa immers naast theologische en spirituele aspecten van de islam ook allerlei maatschappelijke en politieke opvattingen onder de aandacht van de gelovige gebracht. En voorzover die opvattingen haaks staan op die van de democratische rechtsorde, vormen ze inderdaad 'belangrijke veiligheidsrisico's' (p.7).
Wat geregeld als ronselen en rekruteren van jihadstrijders en islamterroristen wordt aangeduid, begint steeds bij de dawa en andere vormen van verkondiging en prediking. Enerzijds draagt de dawa de volgens radicale moslims benodigde informatie over aan mogelijke jihadisten en terroristen en anderzijds brengt ze hen in de 'juiste' emotionele gesteldheid. Een imam of dawaprediker duidt bijvoorbeeld kort aan hoe en waarom moslims in een bepaald deel van de wereld worden vervolgd en bedreigd om af te sluiten met een bede als 'Allah, hoe lang nog moeten onze broeders en zusters dit lijden ondergaan? Wanneer zendt gij uw hulp?', waarbij de goede verstaander weet dat hij of zij zelf wel eens door God geroepen zou kunnen worden om als instrument in Zijn handen die afgesmeekte hulp te bieden (lees: geweld te plegen). De gelovige die zich vervolgens geroepen voelt door God, gaat op zoek naar personen en instanties die hem verder naar het slagveld, oefenterrein of wat ook leiden. Uiteraard komen georganiseerd ronselen en rekruteren ook voor, maar de zojuist geschetste weg is mijns inziens het pad dat de islam traditioneel biedt aan jihadstrijders.
De aard van de korantekst draagt hier bij recitatie ook toe bij omdat God zich in vele verzen direct tot de gelovige richt met aansporingen in de tweede persoon enkelvoud.

B. Componenten aan de radicale islam. De drie onderscheiden componenten aan de radicale islam (p.15) zijn relevant en stellen een veiligheidsdienst ongetwijfeld in staat haar werkzaamheden op gedifferentieerde wijze af te stemmen op verschillende vormen van activiteiten die de democratische rechtsorde bedreigen. Dat geldt ook voor de drie categorieën van radicalisme (p.16vv), zoals ze voor de radicale islam worden uitgewerkt (p.20vv).

C. Oemma. Het is juist dat de drie door de AIVD onderscheiden vormen van radicale islam in hoge mate bij elkaar horen vanwege het gemeenschappelijke zicht op de oemma als een nog slechts gedeeltelijk gerealiseerde en dus nog verder te realiseren islamitische wereldgemeenschap (p.22). Mijns inziens verklaart deze gemeenschappelijke factor voor een deel waarom er weinig of geen ideologische en gewapende strijd is tussen radicale moslims onderling en waarom een radicale moslim gemakkelijk van de ene radicale vorm naar de andere kan overstappen.

D.  Liberale islam: afwezig of marginaal. In de Nederlandse islamdiscussie wordt veel geschreven en gesproken over de liberale islam. Zo stelt de heer Schoof van NRC-Handelsblad van 23 december 2004 dat 'zo'n 95 procent van alle moslims in Nederland' liberaal zou zijn volgens Van dawa tot jihad. In het rapport zelf ben ik woorden van die strekking niet tegengekomen. Terecht niet want het zou niet met de feiten stroken en het rapport zou erdoor op flagrante wijze met zichzelf in tegenspraak zijn. Het stelt immers: 'Liberaal-islamitische denkers staan in de voornamelijk autoritair bestuurde landen met een overwegend islamitische bevolking op zijn zachtst gezegd aan de zijlijn van het politiek of intellectueel relevante vertoog. Ook in het democratische Nederland spelen liberaal-islamitische stromingen nauwelijks een rol bij de politieke koersbepaling' (p.24). Deze helaas juiste constateringen acht ik van belang, omdat mijns inziens een onderdeel van het geringe weerstandsvermogen in Nederland tegen radicaal-islamitische dreigingen (p.50) is dat velen menen te kunnen bouwen op een grote groep liberale moslims die de in grote meerderheid democratisch en rechtsstatelijk gezinde niet-moslims wel ter zijde zullen staan als de nood ooit echt aan de man zal komen. Zulke grote aantallen liberale moslims zijn er echter eenvoudigweg niet - ook niet in Nederland, zoals in bijlage II nader geschetst zal worden. (In een correspondentie met de heer Schoof heeft hij inmiddels geschreven dat het juister was geweest om die 95 procent gematigd te noemen.)

E.  Jihad als apocalyptische strijd.  Wat betreft het onderscheid tussen de klassieke radicaal-politieke islam en het radicaal-islamitisch puritanisme (p.27), in dat onderscheid acht ik vooral relevant de aanmerking van de jihad als een soort apocalyptische strijd met de Dar al Harb. Zoals de aanslagen op 11 september 2001 hebben laten zien gaat zo'n jihad in destructie en werkveld vele stappen verder dan de traditionele jihad. Maar ook dient dit punt ons ervoor te waarschuwen dat niet alle lessen omtrent de jihad zoals hij historisch is gevoerd, direct zijn te vertalen naar de huidige jihad voorzover ernaar gestreefd wordt die desnoods apocalyptische vormen te laten aannemen.
Hierbij is me echter onduidelijk in hoeverre de als apocalyptisch op te vatten jihad ook volgens alle aanhangers bedoeld is als een eindstrijd, dus tot het Laatste Oordeel, of dat er ook aanhangers zijn die menen dat er op de puinhopen van die apocalyptische jihad alsnog een wereldomspannende islamitische staat op te richten zou zijn.

F.  Geen rationele strategieën. Het lijkt me van belang dat het rapport uitdrukkelijk stelt dat de radicale islam nauwelijks rationeel uitgewerkte en expliciet geformuleerde strategieën heeft (p.32). Ook dit acht ik relevant in het kader van de in punt D aangestipte geringe weerstand. Ik heb namelijk de indruk dat veel democratisch en rechtsstatelijk ingestelde niet-moslims het radicaal-islamitische gevaar niet zo groot achten omdat ze de westerse opvattingen van rationele uitwerking en expliciete formulering op de radicale islam projecteren om vervolgens te constateren dat beide afwezig zijn en dat het 'dus' om een vermeend gevaar zou gaan. Voor een radicale moslim staat het zich geroepen voelen door God op een hoger plan dan het rationele analyseren, uitstippelen en betogen; zie ook punt A. Ook als een moslim die zich door God geroepen acht, niet precies begrijpt waartoe hij is geroepen, zal hij weinig bedenkingen krijgen. De islam ontmoedigt het nu eenmaal om zelf en zelfstandig zaken te onderzoeken en te doorgronden. De reden is: als de koran ergens niets over zegt, dan heeft God kennelijk niet gewild dat we dat zouden weten of begrijpen. De gelovige zou daarom het 'ongeziene', zoals het in de islamitische theologie heet, moeten aannemen zonder verder te vragen. Men dient eenvoudigweg te geloven (als het een geloofskwestie betreft) dan wel eenvoudigweg te handelen (als het om een handelingskwestie gaat).
Voor de jihad en terrorisme kan het ontbreken van een rationele strategie betekenen dat iemand z'n daden pleegt ook al zijn ze nog zo kansloos om wat voor doel dan ook dichterbij te brengen. Vandaar dat Mohammed B. zijn moord op Theo van Gogh voor zichzelf kan plaatsen in het kader van de jihad, ook al is er in bijna niemands optiek sprake van een jihad in Nederland.

G. Leer van de koranische pedagogie. Noot 28 wijst op het begrip takiyya (p.34). Omdat daar geen christelijke, humanistische, liberale of sociaal-democratische pendant van is, zijn veel democratische en rechtsstatelijk gezinde Nederlanders geneigd alle woordvoerders van de moslimgemeenschappen op hun woord te nemen. Dat is in gevallen waarbij een woordvoerder takiyya meent te moeten hanteren, niet terecht uiteraard, maar verklaart wel een deel van de lage weerstandscapaciteit van democratisch en rechtsstatelijk ingestelde niet-moslims (p.48vv); zie ook de punten D en F.
Juist vanwege de onbekendheid met het takiyya-verschijnsel juich ik het toe dat u er enkele voorbeelden van geeft. Onder meer op p.50 is dat het geval aan het slot van de eerste alinea: een moskeebestuur dat zich naar de lokale overheid anders uitspreekt en gedraagt dan in kleinere kring. Uw vermoeden dat sommige radicale moslims goed weten waar de grenzen van de Nederlandse wet liggen en in het openbaar een ander geluid laten horen dan in besloten kring (p.54) is een ander voorbeeld. Wellicht viel de leugen van imam El-Moumni tegen minister Van Boxtel ook onder takiyya.
In de context van het begrip takiyya acht ik het van belang de begrippen 'afschaffing' en 'koranische pedagogie' in ogenschouw te nemen. Onder afschaffing wordt verstaan dat gezien de volgorde waarin de openbaringen aan Mohammed zijn gedaan, bepaalde verzen in het licht van latere verzen komen te vervallen. De koran zegt erover: 'Welk teken Wij ook afschaffen of doen vergeten, Wij komen met iets beters of iets gelijkwaardigs' (2:107). Afschaffing heeft vooral betrekking op verzen in Mekkaanse soera's (dus van vóór Mohammeds vlucht naar Jathrib, het latere Medina). Over het algemeen zijn de Mekkaanse soera's, toen Mohammed nog slechts profeet was in een hoofdzakelijk polytheïstische omgeving waaraan hij zich diende aan te passen, zachtaardiger dan de Medinese verzen die de Mekkaanse vervangen. In Medina was Mohammed behalve profeet ook legeraanvoerder en dictator. Zo spreekt Mohammed mild over alcoholische drank in de Mekkaanse soera 16, terwijl hij ze in de Medinese soera's 2 en 4 afkeurt en wijn in de nog latere Medinese soera 5 scherp veroordeelt als 'gruwel van Satans makelij'. De bestraffing van overspel is een ander voorbeeld, waarbij de afschaffing bovendien wordt doorgetrokken naar de hadith: aanvankelijk dienden bij overspel man en vrouw elk honderd zweepslagen te ontvangen, maar later diende een overspelige vrouw ter dood gestenigd te worden.
Uit de afschaffingsleer vloeit voort de leer van de koranische pedagogie: God zou de overgang van het losbandige niet-islamitische leven naar het strenge bestaan als moslim hebben willen vergemakkelijken door de islam in stappen te presenteren, eerst in zijn milde gestalte (namelijk in de Mekkaanse soera's), later in zijn strenge vorm (namelijk in de Medinese soera's). Precies zo - dus in navolging van Mohammed, het beste voorbeeld voor een moslim - zouden ongelovigen in landen waarin de moslims vooralsnog in de minderheid zijn, geleidelijk met de islam vertrouwd gemaakt moeten worden. Ze dienen dus eerst kennis te maken met gedachtes uit Mekkaanse soera's en pas rond of spoedig na bekering tot de islam met gedachtes uit Medinese soera's.
Het mijns inziens belangrijkste voorbeeld van afschaffing en dus ook van de koranische pedagogie is het standpunt over godsdienstvrijheid. In de allereerst Medinese soera 2 (als Mohammed de macht nog niet heeft overgenomen in Medina) verluidt het: 'Er is geen dwang in de religie' (vers 257). In de latere Medinese soera 9 (vermoedelijk tijdens de verovering van Mekka) luidt het echter: 'Wanneer de gewijde maanden zijn verstreken, doodt dan de afgodenaanbidders waar gij hen aantreft […] Maar wanneer ze zich berouwvol bekeren, het gebed verrichten en aalmoezen geven, laat hen dan in vrijheid gaan' (vers 5).
Kortom, wanneer ik een moslim 'Er is geen dwang in de religie' hoor zeggen, dan weet ik niet of ik hem of haar kan geloven of niet: past hij/zij in stilte takiyya toe en tracht hij de toehoorders op een zachte, (koranisch-)pedagogisch verantwoorde manier in de islam in te wijden? Een goede moslim dient bovendien te weten dat Mohammed al in Mekka de joden Aboe Laheb en zijn vrouw die hem niet als profeet wilden erkennen, dood wenste: 'Mogen de handen van Aboe Laheb en hij zelf verloren gaan. […] Ter verbranding zal hij in het vlammende vuur komen, en met hem zijn vrouw, die kwaadspreekster, die hout moet aandragen. En aan haar hals moet een touw hangen' (111:2-6). M'n vermoeden van takiyya wordt alleen maar groter in het licht van het feit dat een afvallige van de islam in beginsel ter dood gebracht zou dienen te worden, een maatregel die in veel moslimlanden is omgezet in een doodverklaring voor de wet; zie verder bijlage II, punt 1. Hoezo 'Er is geen dwang in de religie' volgens de islam?
De Soedanese schriftgeleerde Mahmoed Mohammad Taha heeft getracht de afschaffingsleer ongedaan te maken door de islam van de Mekkaanse soera's als de ware islam te duiden en die van de Medinese soera's als een door politiek gecorrumpeerde islam. Om die reden is hij in 1985 in het openbaar ter dood gebracht door ophanging.

H. Geen centraal leergezag. Op p.54-58 noemt het rapport veertien tegenstrategieën bij aan dawa gerelateerde dreigingstypen. Onder meer in de tegenstrategieën 2, 3 en 8 wordt gedoeld op gematigde moslims en moslimorganisaties. Een probleem is echter dat de islam geen centraal leergezag kent. Behalve over de kerndogma's (zie verder bijlage II) staat het iedere moslim vrij te geloven, religieus te handelen en zich met anderen te organiseren zoals hij of zij wenst. Vandaar dat radicale moslims doorgaans lastig op te sporen zijn zoals het rapport diverse malen stelt. De Nederlandse overheid kan echter wel eisen dat zij voor allerlei maatschappelijke en politieke aangelegenheden structureel met één persoon in gesprek is, die voor die aangelegenheden alle moslims vertegenwoordigt. Het verdient daarom aanbeveling dat er één opperschrifgeleerde komt, die vijf secretarissen heeft, één voor elk van de vier soennitische rechtsscholen (zie verder bijlage II) en één voor de sjiieten in ons land. Op termijn zal dit binnen de moslimgemeenschap(pen) in een grotere homogeniteit en meer sociale controle resulteren en daarmee het weerstandvermogen binnen de moslimgemeenschap(pen) verhogen - die laatste merkt het rapport terecht als laag aan (p.50).
Historische precedenten van de functie opperschriftgeleerde zijn de seyhülislam als oppermüftü (een müftü is een schriftgeleerde die op de sjaria gebaseerde gerechtelijke uitspraken doet) in het Osmaanse Rijk en de opperrabbijn van Israël, een functie die door Napoleon in het leven is geroepen omdat hij één woordvoerder namens alle joden wenste. (De EU-landen kunnen mijns inziens iets dergelijks voor elk EU-land eisen. De nationale opperschriftgeleerden zouden uit hun midden voor de EU een opperste schriftgeleerde kunnen kiezen.)


Bijlage II.  De begrippen orthodox en fundamentalistisch

Definities
In het deel van noot 10, dat op p.16 staat, onderscheidt Van dawa tot jihad onder meer de orthodoxe en de fundamentalistische islam van elkaar. Onder orthodox verstaat het rapport 'streng vasthoudend aan overgeleverde (meestal religieuze) leer, overeenkomstig alle voorschriften van de leer' en onder fundamentalistisch 'orthodoxe, antiliberale (meestal religieuze) richting, met anti-intellectualistische inslag (geen vrijheid van debat, geen ruimte voor twijfel)'.

Het is juist dat de fundamentalistische islam binnen de orthodoxe islam valt. Dat is van belang in verband met de geringe weerstand tegen de radicale islam onder niet-moslims (zie ook bijlage I, de punten D, F en G). Immers, velen menen volgens mij dat de orthodoxen en de fundamentalisten twee verschillende categorieën zijn en dat de democratische rechtsorde van de eerste, bij verre grootste, categorie niets te vrezen zou hebben en slechts van de tweede, minderheidscategorie iets te duchten zou hebben. Dit is evenwel een grote misvatting, zoals het vervolg van deze bijlage tracht te schetsen.
Voor het overige wekken bovenaangehaalde definities ten onrechte de indruk dat de orthodoxe islam ten minste neutraal zou staan ten opzichte van de democratische rechtsorde of daar eventueel gunstig tegenover zou staan en er dus mee in overeenstemming zou zijn of alsnog te brengen zou zijn. Immers, het predikaat 'antiliberaal' staat bij fundamentalistisch, wat de suggestie open houdt om het predikaat 'liberaal-neutraal' of 'proliberaal' bij orthodox te voegen. Voorts staat 'geen vrijheid van debat' slechts bij fundamentalistisch, wat het vermoeden zou kunnen oproepen dat het in de orthodoxe islam eenieder vrij staat op elk ogenblik over elk onderwerp de discussie te openen.

Mij lijkt het echter een feit te zijn dat reeds de orthodoxe islam in zijn maatschappelijke en politieke aspecten haaks staat op de liberale staatsinrichting in de zin van de democratische rechtsorde en dat ook hij reeds afkerig is van het vrije debat over om het even welke kwestie. Wat het eerste punt betreft, de orthodoxe islam en de daarop gestoelde staatsinrichting onderschrijven de eenheid van kerk en staat, de ongelijkheid voor de wet van man en vrouw, de ongelijkheid voor de wet van moslim en niet-moslim, de ongelijkheid voor de wet van heteroseksueel en homoseksueel en de instelling van de sjoera (in het soennitisme is dit een door de vorst benoemd adviescollege; in het sjiitische Iran is het een door het volk gekozen college waarvoor de kandidaten zijn goedgekeurd door een raad van geestelijken die als behoeders van de islamitische staat optreden, en waarvan alle uitgaande wetten getroffen kunnen worden aan een veto van diezelfde raad van behoeders).
Wat het tweede punt betreft, de vrijheid van meningsuiting en dus ook van debat worden in de orthodoxe islam in twee opzichten ingeperkt. In de eerste plaats zijn er inperkingen vanuit de koran en de hadith: een standpunt dat inhoudelijk in strijd is met een koranvers en/of met een overlevering in de hadith is bij voorbaat verboden. In de tweede plaats geldt in de soennitische orthodoxie de leer van de consensus ('idzma'): elk aanvankelijk punt van discussie waarover op een later ogenblik overeenstemming wordt bereikt tussen de vier rechtsscholen (zie verderop), verwerft daardoor de status van orthodox dogma. In die overeenstemming zou immers Gods eenheid ('tawhied') worden weerspiegeld. Op haar beurt zou die weerspiegeling een teken zijn dat God Zijn goedkeuring aan de betreffende zienswijze heeft gehecht. Het opnieuw ter discussie stellen van zo'n punt zou alleen al daarom een ketterse daad zijn omdat het zou getuigen van een houding van ingaan tegen Gods wil - dat zou 'bida' (ongeoorloofde vernieuwing) zijn.
Historisch, theologisch en, gezien de islamitische eenheid van kerk en staat, dus ook maatschappelijk en politiek zijn andere definities van orthodox en fundamentalistisch daarom juister. Daarbij verdient het de voorkeur om een zodanige terminologie te kiezen die aansluit zowel bij het islamitische gedachtegoed als bij het westerse denken in het algemeen en dat over de democratische rechtsorde in het bijzonder, en wel om te voorkomen dat westerse begrippen en indelingen niet door moslims worden herkend vanwege de afstand tot islamitische begrippen en indelingen.

Onder de orthodoxe islam wordt verstaan die islam die de leer van de ongeschapen koran aanhangt. Die leer houdt in dat de tekst van de koran nooit door God is geschapen, maar altijd een attribuut van Hem is geweest. Daarom is de koran niet slechts Gods woord, maar ook goddelijk van aard. En de koran zou ook niet zozeer aan Mohammed zijn geopenbaard als wel op de aarde zijn neergedaald. Daar de orthodoxe islam, die vanaf 849 onafgebroken dominant is geweest, theoretisch pas door al-Asjari (873-935) afdoende is onderbouwd, is het gebruikelijk deze vorm van islam als asjaritisch aan te duiden. Zowel het soennitisme als het sjiitisme zijn asjaritisch.

Zoals gesteld zijn er binnen de soennitische orthodoxie vier rechtsscholen. Dit zijn de sjafiitische, de malikitische, de hanafitische en de hanbalitische rechtsschool. Tussen hen bestaat er overeenstemming over de dogma's van de islam zoals de leer van de ongeschapen koran, de leer van de consensus, de leer van het conceptuele atomisme (God zou het universum elk ogenblik geheel vernietigen en ook weer herscheppen) en de predestinatieleer. Over zaken van secundair, tertiair enzovoort belang hoeft geen overeenstemming te bestaan: mag een ongestelde vrouw een moskee betreden? dient men zijn voeten vóór het binnengaan in de gebedsruimte in stromend water te wassen of mag het ook in stilstaand water? Enzovoort. Al vanaf het begin van de islam is de hanbalitische school de meest conservatieve en de meest strikte. En al heel lang valt het gebied waarbinnen zij dominant is samen met de politieke eenheid waar Mekka en Medina binnen vallen. Op dit moment is dat het koninkrijk Saoedi-Arabië. Welnu, sedert het gezamenlijke optreden van het Huis Saoed en Ibn Abd al-Wahhab (1703-1792) vallen het wahhabitisme als theologisch-politiek stelsel en het hanbalitisme als theologisch-juridisch stelsel grotendeels met elkaar samen, personeel, inhoudelijk en kwa verspreidingsgebied. Een recente uitzondering hierop is het hanbalisme/wahhabitisme: mede vanwege de financiële ondersteuning van het wabbabitisme door rijke Saoedi's is de verspreiding daarvan buiten Saoedi-Arabië de laatste decennia aanzienlijk.
Een hoofdkenmerk van het wahhabisme is dat de eenheid van God nog sterker wordt benadrukt dan in de orthodoxie al het geval is. Dat wil zeggen, in elke schoonheidsbeleving aan een schilderij of gedicht en in elke bewondering voor een wetenschappelijke theorie of technologische verrichting zou men dat kunstvoorwerp, die theorie of dat apparaat feitelijk vergoddelijken, hoe weinig ook maar, en daarmee indirect iets goddelijks naast God aannemen en dus Zijn volstrekte eenheid aantasten.

Onder de fundamentalistische islam wordt verstaan die tak binnen de orthodoxe islam, die alles ondergeschikt maakt aan God en de koran om zo Gods eenheid tot uitdrukking te brengen en niet te ontkrachten. Het fundamentalisme kan als hanbalitisch maar ook als wahhabitisch worden aangeduid.

Het is van belang zich te realiseren dat het een moslim is toegestaan om op elk willekeurig ogenblik over te stappen van de ene rechtsschool naar de andere, integraal of in verband met een bepaald onderwerp. Oftewel, een moslim die de sjafiitische, malikitische of hanafitische rechtsschool volgt, kan van het ene moment op het andere op de hanbalitische overstappen en daarmee onmiddellijk in fundamentalistisch vaarwater terechtkomen. Iets dergelijks moet bij Mohammed B. gebeurd zijn: als Marokkaan was hij aanvankelijk waarschijnlijk malikitisch, maar is hij enkele jaren terug hanbalitisch en dus ook wahhabitisch geworden.

Vanuit de tweede definitie vertrekkend kan men de radicale islam definiëren als die fundamentalistische islam, waarvan de aanhangers van de theorie en logistieke voorbereiding zijn overgegaan op het daadwerkelijke voeren van de jihad. Een orthodoxe moslim duidt men in dit kader vaak aan als een gematigde moslim.

Om het beeld volledig te maken moet hier nog een derde definitie volgen, namelijk die van de liberale islam.

De liberale islam hangt de leer van de geschapen koran aan. Deze leer houdt in dat de korantekst weliswaar Gods woord is, maar dat hij op enig moment is geschapen - volgens de meeste aanhangers van deze leer zou de korantekst op enig moment kort vóór zijn bekendwording aan Mohammed door de aartsengel Gabriël geschapen zijn. De liberale islam wordt aangeduid als moetazilitisch.

De integratie van de moslims in de democratische rechtsorde zal slechts slagen als er voldoende liberale moslims komen: anders dan de orthodoxe (en fundamentalistische) islam gaat de liberale islam uit van de vrije wil. De vrije wil is nu eenmaal de kern van de democratische rechtsorde - ook in het zich vrijwillig aaneensluiten van twee of meer individuen in het maatschappelijke verkeer en in de politieke besluitvorming. Om de liberale islam te bevorderen is het noodzakelijk dat de islam een fase doorgaat zoals het westerse christendom heeft meegemaakt kort na de Reformatie. Precies zoals de katholieke kerk diende te aanvaarden dat er andere, namelijk protestantse, interpretaties van de bijbel mogelijk zijn, zo zullen de orthodox-islamitische schriftgeleerden dienen te aanvaarden dat er andere, namelijk liberale, interpretaties van de koran en de hadith mogelijk zijn.

In ons land wordt vaak gesteld dat de islam een periode van Verlichting dient door te maken. Dit is mijns inziens juist, met dien verstande dat daar een periode van 'protestantisering' aan vooraf zal dienen te gaan. Mijns inziens zijn strategieën die een islamitische Verlichting trachten te bevorderen, terwijl er nog geen islamitische protestantisering heeft plaats gehad, daarom niet alleen gedoemd te mislukken maar zullen ze zelfs een averechts effect hebben. Niet uit te sluiten valt dat de huidige radicalisering onder moslimjongeren deels te verklaren is uit die geforceerde islamitische Verlichting. Het zou juister zijn eerst de liberale islam te bevorderen. Aangezien de orthodoxe islam de liberale islam op dit moment als ketterij en als geloofsafval interpreteert terwijl hij op ketterij en geloofsafval de doodstraf stelt, zullen liberale moslims vooralsnog extra beschermd dienen te worden door de democratische rechtsorde waarbinnen immers de vrijheid van godsdienst ook voor moslims geldt.

Islam en democratische rechtsorde
Bovenstaande definities van orthodoxe, fundamentalistische en liberale (en dus ook van gematigde en radicale) islam gaan uit van een deels theologisch in plaats van louter niet-theologisch begrippenkader. Men hoort en leest wel eens de gedachte dat dat op gespannen voet zou staan met de democratische rechtsorde omdat die impliciet uitgaat van een scheiding van kerk en staat. Die gedachte is uiteraard in die zin juist dat de overheid zich dient te onthouden van uitspraken omtrent welke vorm van islam theologische gezien de juiste zou zijn. Het is echter onjuist om in de islamdiscussie in het geheel geen gebruik te maken van theologische begrippen. De islam gaat immers uit van een eenheid van kerk en staat. Daarom ontneemt eenieder die over geen enkel theologisch begrip van de islam wil spreken vanwege de scheiding van kerk en staat, zichzelf de mogelijkheid om politieke uitspraken te doen over de maatschappelijke en politieke aspecten van de orthodoxe islam. Deze kent de scheiding van kerk en staat nu eenmaal niet en doet in bepaalde theologische uitspraken ook meteen politieke uitspraken. Indien men daarom alle theologische begrippen uit zijn beschouwing bant, snoert men zichzelf de mond om politieke uitspraken te doen over de implicaties van de orthodoxe islam voor de democratische rechtsorde. Men kan echter buiten de theologische discussie over de islam blijven door een beschouwing niet te laten gaan over islam versus christendom, islam versus agnosticisme, enzovoort, maar over de islamitische staatsinrichting versus de democratische rechtsorde.

Bovenstaande definities van orthodoxe, fundamentalistische en liberale islam gaan dus terecht uit van een deels theologisch kader. Welnu, indien ze correct zijn - en dat zijn ze volgens mij -, dan zijn ze van belang, zowel voor een adequaat begrip van de islam in het algemeen en van de radicale islam in het bijzonder als voor een adequate bescherming van de democratische rechtsorde niet alleen op de korte maar vooral ook op de lange termijn.
Om te beginnen is het van belang om erop te wijzen dat en waarom reeds de orthodoxe islam op gespannen voet staat met de democratische rechtsorde. Dat zit eerst en vooral in de leer van de ongeschapen koran. Immers, vanwege de menselijke aard van alle overige teksten zouden deze  teksten ondergeschikt zijn aan de koran en bij gebleken tegenstrijdigheid verworpen dienen te worden dan wel met de koran in overeenstemming gebracht moeten worden. Deze ondergeschiktheid geldt met name voor de Nederlandse grondwet in het algemeen en zijn democratische en rechtsstatelijke artikelen in het bijzonder.
In feite beginnen de problemen bij de optiek op het al dan niet bestaan van de vrije wil. De orthodoxe islam en de erop gebaseerde staatsinrichting ontkennen deze en hangen dan ook de predestinatieleer aan. Reeds in de orthodoxe islam en niet pas bij de fundamentalistische islam is de vrije wil een illusie: God bestiert al ons juiste maar ook onjuiste denken, waarnemen, voelen en handelen. Welnu, daar de vrije wil het kernbegrip is van de democratische rechtsorde, kan het niet anders of de orthodoxe islam is op de lange termijn eenzelfde bedreiging voor de democratische rechtsorde als dat de fundamentalistische en a fortiori radicale islam dat op de korte termijn is voorzover deze zich gewelddadig uiten of anderen aanzetten tot geweld.
Het verschil tussen de orthodoxe en de fundamentalistische islam is niet dat de eerste positief zou staan ten opzichte van de democratische rechtsorde en de tweede niet, maar dat de eerste, beperkt tot de sjafiitische, malikitische en hanafitische rechtsscholen, de democratische rechtsorde lijdzaam duldt en er zich dus vooralsnog vreedzaam tegenover opstelt, terwijl de tweede de democratische rechtsorde nu reeds of zeer binnenkort in woord (dawa) of in daad (jihad) negatief tegemoet treedt; zie ook takiyya en de leer van de koranische pedagogie in punt G van bijlage I. Zowel een sjafiitische, malikitische of hanafitische moslim als een hanbalitische/wahhabitische moslim betonen zich daarmee een goede gelovige daar beiden Gods wil uitvoeren: de eerste ondergaat de niet-islamitische staat als een beproeving door God, precies zoals de tweede zich in woord of daad tegen de democratische rechtsorde verzet omdat God hem daartoe roept. Daarbij zal de sjafiiet, malikiet of hanafiet zijn fundamentalistische, want hanbalitische, broeder niet afvallen, precies zoals deze zijn niet-fundamentalistische broeder niet zal afvallen, daar de aanhangers van de vier rechtsscholen elkaar als goede moslim aanvaarden en erkennen. Dit verklaart waarom orthodoxe moslims over elkaars daden wanneer die door niet-moslims worden afgekeurd, doorgaans zwijgen of er terughoudend en vergoelijkend over spreken indien ze daartoe worden uitgenodigd. Alleen het hedendaagse salafisme en andere vormen van ultrafundamentalistische islam zijn hierop een uitzondering, zoals Van dawa tot jihad op een aantal plaatsen schetst: hun aanhangers zullen niet rusten vóór alle niet-moslims (en daar rekenen ze ook de sjafiieten, malikieten en hanafieten toe) hún islam aanvaarden.
Slechts de liberale islam gaat van de vrije wil van de mens uit en is dus in beginsel in overeenstemming te brengen met de democratische rechtsorde en haar uitgangspunten.

Van orthodoxe leer naar radicale praktijk
Aan de hand van bovenstaande analyse loop ik een achttal passages uit Van dawa tot jihad langs omdat ze lacunes hebben om nu reeds integraal te dienen als een onderbouwing van en leidraad bij de werkzaamheden van de AIVD in verband met de verdediging van de democratische rechtsorde in het algemeen en de bestrijding van de radicale islam in het bijzonder.

1. Doel van de radicale islam en doel van de orthodoxe islam. Op p.15 vat het rapport radicalisme op als 'het (actief) nastreven en/of ondersteunen van diep ingrijpende veranderingen in de samenleving die een gevaar kunnen opleveren voor (het voortbestaan van) de democratische rechtsorde (doel) […]'. Bekeken op de lange termijn valt de orthodoxe islam onder deze omschrijving, want ook hij heeft de wereldheerschappij in zijn doelstellingen staan en wil de samenleving veranderen in de richting van de islamitische staatsinrichting, dus weg van de democratische rechtsorde. Ik noem slechts:
voor de wet is de vrouw de helft waard van de man, onder meer als getuige en als erfgename; er zijn beperkingen aan de uitoefening van een niet-islamitische religie; een moslim mag niet van zijn geloof afvallen ('mag de islam niet verlaten') - strikt genomen staat daar de doodstraf op (zie ook bijlage I, punt D), maar onder invloed van contacten met het westen is dat veelal veranderd in een doodverklaring voor de wet zoals verplichte scheiding, ontzetting uit de ouderlijke macht en onterving; door koran en hadith en op grond van de leer van de consensus beperkte vrijheid van meningsuiting; afbouw en afschaffing van vrije en geheime verkiezingen bij het invoeren van de sjoera.

Het is daarom juister de 'soevereiniteit van God' niet alleen aan de radicale islam te koppelen (p.24 en noot 19 op p.25), maar ook aan de orthodoxe islam.

De orthodoxe islam heeft het probleem dat iemand die daarin geboren is, niet van dat geloof mag afvallen. Dat brengt onder meer met zich mee dat er veel lauwe orthodoxe moslims zijn. Dat maakt hen echter nog niet tot niet-moslims of tot liberale moslims en nog minder tot mensen die de kant van de democratische rechtsorde zullen kiezen als het ooit tot een conflict mocht komen tussen diegenen die de democratische rechtsorde willen handhaven en verdedigen, en diegenen die een islamitische staat willen vestigen.

2. Wereldkalifaat.  Op p.20 stelt het rapport dat het ultieme doel van de radicale politieke islam onder meer het wereldkalifaat is. Dit is echter ook het doel van de orthodoxe islam. Veel orthodoxe moslims spreken daar echter niet over en zijn realistisch genoeg om in te zien dat daar op korte termijn geen sprake van zal zijn, zeker niet als sommige geloofsbroeders er nu al gewelddadige middelen voor inzetten. Zie echter takiyya en de leer van de koranische pedagogie in bijlage I, punt G.

3. Intermenselijke verhoudingen. Op p.21 stelt het rapport dat het radicaal-islamitische puritanisme zich verzet tegen 'de wijze waarop in de westerse samenlevingen aan intermenselijke verhoudingen vorm wordt gegeven'. Dit verzet bestaat echter in de gehele orthodoxie; zie punt 1. De meeste orthodoxe moslims geven ook hieraan doorgaans geen of nauwelijks uiting. Zie ook hier punt G in bijlage I voor takiyya en de leer van de koranische pedagogie.

4. Democratische rechtsorde: onislamitisch of westers?  In noot 14 op p.21 vraagt het rapport: 'wordt de democratische staatsinrichting afgewezen omdat ze als onislamitisch wordt gezien of omdat ze van westerse origine is?'. Gezien de islamitische eenheid van kerk en staat en gezien de onverenigbaarheid van de islamitische staatsinrichting en de democratische rechtsorde (zie onder meer punt 1), kan het antwoord op deze vraag ondubbelzinnig luiden: de democratische staatsinrichting wordt door de gehele orthodoxe islam en niet alleen door de fundamentalistische of radicale islam afgewezen omdat ze onislamitisch is.

5. Exclusiviteit en parallellisme. Op p. 21v wijst het rapport in de context van het radicaal-islamitisch puritanisme op 'exclusivisme: prediking van (religieuze en culturele) intolerantie […] en parallellisme (geheel of gedeeltelijk niet erkennen van de niet-islamitische overheid en streven naar autonome sharia gebieden)'. Echter, integraal onderdeel van de orthodoxe islam zijn allerlei bepalingen over dhimmi's. Een dhimmi is een christen of jood in een moslimstaat. Voor hem gelden allerlei bepalingen die vanuit de democratische rechtsorde ronduit discriminerend zijn. Strikt genomen zou een dhimmi gedood dienen te worden, maar als hij beschermingsbelasting ('dzizja') betaalt, mag hij blijven leven en wordt hij door de moslimoverheid beschermd. Een dhimmi mag geen wapens dragen (hij mag dus ook niet in het leger of bij de politie) en dient respect voor moslims te betuigen - de toren van een kerk of synagoge mag niet hoger zijn de dichtstbijzijnde minaret; een dhimmi op een ezel dient van zijn ezel af te stappen tot een moslim op diens ezel is gepasseerd; enzovoort. Zie bijvoorbeeld het boek van Bat Ye'or, Dhimmitude. Mede daarom voorspel ik dat er in West-Europa binnen vijf jaar een gijzeling of een andere gewelddadige actie zal plaats hebben om een zekere islamitische autonomie af te dwingen in een stadswijk met een moslimmeerderheid.

Vanuit de leer van de koranische pedagogie (bijlage I, punt G) dient hieraan toegevoegd te worden dat er van dhimmi's per definitie pas sprake is na de machtsovername door moslims, dus binnen de islamitische staat. Oftewel, er zijn pas dhimmi's in de Medinese periode van de geschiedenis van een land. Voordien, dus in de Mekkaanse periode, dient een moslim zich anders te uiten en op te stellen tegenover niet-moslims, namelijk conform de wetten van het land waarin men verblijft.

6.  Oemma.  De drie door het rapport onderscheiden vormen van radicale islam worden samengebonden door de ideologie van de oemma als een (te realiseren ideale) islamitische wereldgemeenschap (p.22). Ook deze factor is evenwel een integraal element van de orthodoxe islam; zie verder punt 2.

7. Eenheid tussen religie en staat. Op p.23 stelt het rapport: 'De politieke islam geeft een politieke interpretatie van de bronnen van de islam en pretendeert een allesomvattende ideologie te kunnen bieden. Daarbij staat de eenheid tussen religie en staat centraal. Dit staat haaks op het westerse staatsconcept, dat juist een scheiding tussen kerk en staat postuleert. Eveneens kan de eenheid van religie en staat […] niet aan de koran zelf worden gerelateerd'. Dat laatste moge wellicht zo zijn in de ogen van niet-moslims, maar feit is dat reeds de orthodoxe islam en niet slechts de politieke islam uitgaat van de eenheid tussen religie en staat. Dat is al zo sedert 849 toen de schriftgeleerden en de vorst een historisch compromis sloten bij het weer als orthodox verklaren van de leer van de ongeschapen koran (die toen bijna 30 jaar als ketters was aangemerkt): aan de schriftgeleerden zou de wetgeving toevallen en aan de vorst de uitvoering. Met andere woorden, de islam kent een scheiding van wetgevende en uitvoerende macht die tevens een scheiding tussen het seculiere en het reguliere is. Die scheiding is in westerse zin echter per definitie een eenheid van kerk en staat, omdat de wetgeving aan de schriftgeleerden, dus aan vertegenwoordigers van het reguliere, is toevertrouwd.
Afgedacht van al het andere zal het wortelschieten van de scheiding van kerk en staat in de moslimgemeenschap alleen om ten minste twee redenen lastig tot zeer lastig worden: de islamitische eenheid van kerk en staat is reeds zeer oud en doordringt het hele doen en laten van moslims; de islam kent reeds een soort scheiding maar dan tussen groepen mensen, namelijk regulieren en seculieren.

Bekeken vanuit het historische compromis van 849 komt het me voor dat het dienstig zou zijn om onderzoek te doen naar de gedachte in de zin 'Historisch gezien was het de staat die zich de religie heeft toegeëigend om de belastingsheffing in islamitische gebieden te rechtvaardigen' (p.23).

8. Islam en democratie. 'Van onverenigbaarheid van islam en democratie in haar algemeenheid is geen sprake' (p.23). De liberale islam en de democratische rechtsorde zijn inderdaad goed met elkaar te verenigen. Het probleem is echter dat er nauwelijks liberale moslims zijn, ook in ons land, terwijl hun bijdragen nauwelijks relevant zijn voor de islamdiscussie zoals die in West-Europa aan de gang is (p.24). Bovendien erkent de orthodoxe islam de liberale islam niet als islamitisch, wat vanuit het orthodoxe standpunt bekeken logisch en begrijpelijk is: de koran kan niet tegelijkertijd ongeschapen én geschapen zijn. Daar komt bij dat het overstappen van de orthodoxe naar de liberale islam door orthodoxen als geloofsafval wordt opgevat zodat een liberaal geworden moslim voor zijn leven moet vrezen, want - zoals reeds in punt 1 gesteld - op geloofsafval staat strikt genomen de doodstraf. Hoe dit ook zij, er is bij mijn weten en bij navraag bij enkele goed in de islam ingevoerde moslims nergens ter wereld een liberale koranschool, imam, schriftgeleerde of moskee.

Het rapport daarentegen gaat uit van verenigbaarheid tussen orthodoxe islam en democratische rechtsstaat en geeft twee voorbeelden: het sjoera-begrip 'voorziet in maatschappelijk consultatie'en het bajat-beginsel 'kan naar een maatschappelijk contract worden vertaald' (p.23v). Inderdaad waren en zijn er moslims die een aantal islamitische concepten heeft trachten te vertalen naar de democratische rechtsorde. Dat is bijvoorbeeld al door de Jong Osmanen rond 1865 in het Osmaanse Rijk gedaan; zie E.J. Zürcher, Een geschiedenis van het moderne Turkije, 1995, p.80v. Daar hebben Mustafa Kemal, de latere Atatürk, en zijn medestanders later op voortgebouwd bij de stichting van de Turkse Republiek. Ik kan niet beoordelen hoe succesrijk Turkije er in is geweest om langs die weg een democratische rechtsorde te vestigen, maar ik hoor en lees daar zeer ontmoedigende berichten over. Eén en ander zal de komende 10, 15 jaar wel duidelijk worden door de onderhandelingen over toetreding van Turkije tot de EU. Een meer recente poging tot 'vertalen' is van de Turkse wetenschapper Yasar Nuri Öztürk. Volgens hem komen de democratische beginselen al in de koran voor en zijn ze dus veel ouder dan de Verlichting en de Franse Revolutie. Hier is echter de vraag op z'n plaats waarom er dan nog geen democratische rechtsorde is in een moslimstaat.

Wat dit soort en andere 'vertalingen' van de islam naar de democratische rechtsorde betreft, het lijkt me dat er een aantal conceptuele onverenigbaarheden in het spel zijn, die ik voor onoplosbaar houd; zie punt 1. Dat blijkt ook uit de formuleringen in het rapport: consultatie (bij 'sjoera') is nog geen geheime en vrije verkiezing voor een wetgevend college en 'vertaald kunnen worden naar' (bij 'bajat') is nog wat anders dan het daadwerkelijk vertalen naar een consistent begrippenapparaat en het daarbinnen consistent houden met de overige begrippen. Voor moslims die oprecht de democratische rechtsorde wensen, zit er mijns inziens niets anders op dan liberaal te worden in bovenstaande zin. Dan en alleen dan zal een 'democratisch-politieke islam […] in Nederland gestalte […] krijgen' (p.24).

Afsluiting
De AIVD acht het belangrijk 'dat niet louter en voortdurend tegen de orthodoxe islam wordt aangeschopt. De vredelievende variant kan dienen als buffer tegen de gevaarlijker radicale fundamentalisten' (de Volkskrant, 23 december 2004). Zinnen met die strekking ben ik evenwel niet in Van dawa tot jihad tegengekomen. Maar zelfs als ze erin staan, dan passen twee gedachtes. Ten eerste, tegen de orthodoxe islam aanschoppen is onder alle omstandigheden een slechte zaak die nauwelijks een bijdrage zou leveren aan het islamdebat dat broodnodig gevoerd dient te worden en hopelijk door Van dawa tot jihad wordt bevorderd. Ten tweede, over de orthodoxe islam zwijgen is wel het laatste dat we zouden moeten doen: in plaats van een buffer te kunnen zijn tegen de fundamentalistische en/of radicale islam, is hij op z'n minst nauw verwant aan de fundamentalistische en dus ook de radicale islam. Ze putten alle drie uit dezelfde bron (koran en hadith) en delen met elkaar dezelfde dogma's waarvan de leer van de ongeschapen koran de belangrijkste is.

Op korte termijn maar stellig ook op lange termijn is de orthodoxe islam de wortel van de problemen waar de democratische rechtsorde vanuit islamitische hoek mee te maken heeft en nog te maken gaat krijgen. Ik zie daarom maar één mogelijkheid om de problemen afdoende aan te pakken: het bevorderen van de liberale islam en dat van het remigreren van orthodoxe moslims. Een allereerste maatregel hebben zeven Nederlandse staatsburgers, onder wie ikzelf, al in het voorjaar gesuggereerd; zie bijgaand artikel in de Volkskrant. Toegespitst op moslims komt de maatregel hierop neer: een moslim die het Nederlanderschap wil verwerven, dient op de koran (niet op de grondwet vanwege takiyya!) te zweren dat hij/zij voor zijn/haar maatschappelijke en politieke handelen geen tekst hoger zal stellen dan de Nederlandse grondwet in het algemeen en zijn democratische en rechtsstatelijke artikelen in het bijzonder. Elke moslim die de eed op de koran heeft gezworen en dus Nederlander is geworden, zou daar vervolgens op aangesproken kunnen worden na een eventuele antidemocratische of antirechtsstatelijke uitspraak.
De essentie van het eedvoorstel is dat de democratische rechtsorde en de islamitische staatsinrichting met elkaar worden geconfronteerd. Alleen een liberale moslim kan die eed afleggen. Een orthodoxe (en dus ook een fundamentalistische en/of radicale) moslim kan dat niet en kan daarom niet meer het Nederlanderschap verwerven. Anders gezegd, zelfs als alle negentien tegenstrategieën in het rapport (p.54vv) - en ik juich ze alle negentien van harte toe! - uitgevoerd zouden zijn, maar de Nederlandse wetgever zou het nalaten bovengeschetste of een andere confrontatie tussen de democratische rechtsorde en de islamitische staatsinrichting tot een eis voor het verwerven van het Nederlanderschap te maken, dan koestert de Nederlandse staat een adder aan de borst. Immers, de orthodoxe islam kan en zal zich dan getalsmatig blijven uitbreiden in ons land; de liberale islam zal dan niet van de grond komen; de orthodoxe islam zal zich dan niet van binnen uit in democratische en rechtsstatelijke richting vernieuwen; de fundamentalistische/radicale islam zal dan de orthodoxe leerstellingen en de islamitische staatsinrichting niet alleen in woord maar ook in daad blijven belijden. En dus dweilen de AIVD en andere veiligheidsdiensten dan met de kraan open, zonder hun doel ooit te bereiken.
</description>
		<content:encoded><![CDATA[<p>Hieronder mijn reactie op het AIVD-rapport van 23 december (Van dawa tot jihad: <a href="http://www.aivd.nl/contents/pages/10835/notavandawatotjihad.pdf)" rel="nofollow"></a><a href="http://www.aivd.nl/contents/pages/10835/notavandawatotjihad.pdf" rel="nofollow">http://www.aivd.nl/contents/pages/10835/notavandawatotjihad.pdf</a>)</p>
<p>Amsterdam, 3 januari 2005,</p>
<p>Geachte heer Van Hulst,</p>
<p>Het rapport Van dawa tot jihad van uw dienst heb ik gelezen. Ik wil u complimenteren met dit rapport, want het bevat vele degelijke en belangrijke begripsbepalingen en analyses.<br />
Omdat Van dawa tot jihad &#8216;inzicht biedt in de conceptuele onderbouwing van het onderzoek binnen de AIVD naar de radicale islam&#8217; (rapport, p.7) en ook voor burgers is bedoeld, reageer ik met het bijgaande. Dit doe ik vanuit m&#8217;n onderzoek naar de wetenschapsgeschiedenis van de islamitische culturen en naar het verband tussen die geschiedenis en leerstellingen van de islam.</p>
<p>In bijlage I plaats ik aanvullende opmerkingen bij enkele sterke punten in het rapport. Zo gaat punt A in op de islamitische optiek op ronselen en rekruteren en vult punt G het takiyya-begrip aan met de leer van de koranische pedagogie. Ook wordt het onderwerp &#8216;geringe weerstand van moslims en niet-moslims&#8217; aangestipt, in de punten D, F,  G en H.<br />
In bijlage II leg ik u enkele gedachtes voor over de begrippen orthodox en fundamentalistisch. Ze stellen ons mijns inziens in staat Van dawa tot jihad in een scherper daglicht te plaatsen. M&#8217;n kernpunten zijn:<br />
a. De daden van radicale moslims wortelen in de leerstellingen van de orthodoxe islam. De vraag in noot 14 van het rapport bijvoorbeeld, of de democratische staatsinrichting wordt afgewezen omdat ze als onislamitisch wordt gezien of omdat ze westers is, moet worden beantwoord met &#8216;Omdat ze onislamitisch is&#8217; (bijlage II, punt 4).<br />
b. De opkomst van de liberale islam naast de orthodoxe islam zal zeker lastig (en wellicht bloedig) worden en het bevorderen van de liberale islam verdient aanbeveling boven het bevorderen van een islamitische Verlichting.<br />
Alle verwijzingen hebben betrekking op Van dawa tot jihad.</p>
<p>Desgewenst ben ik bereid tot nadere toelichtingen en</p>
<p>Met vriendelijke groeten,</p>
<p>E. Vervaet</p>
<p>P.S. De heren T.P.L. Bot en W.M. van Gemert van uw dienst ontvangen eenzelfde brief.</p>
<p>Bijlage I.  Aanvullende opmerkingen</p>
<p>A. Ronselen en rekruteren. Het lijkt me juist om de beschrijving van de radicale islam te beginnen bij de dawa. Vanwege de islamitische eenheid van kerk en staat worden in de dawa immers naast theologische en spirituele aspecten van de islam ook allerlei maatschappelijke en politieke opvattingen onder de aandacht van de gelovige gebracht. En voorzover die opvattingen haaks staan op die van de democratische rechtsorde, vormen ze inderdaad &#8216;belangrijke veiligheidsrisico&#8217;s&#8217; (p.7).<br />
Wat geregeld als ronselen en rekruteren van jihadstrijders en islamterroristen wordt aangeduid, begint steeds bij de dawa en andere vormen van verkondiging en prediking. Enerzijds draagt de dawa de volgens radicale moslims benodigde informatie over aan mogelijke jihadisten en terroristen en anderzijds brengt ze hen in de &#8216;juiste&#8217; emotionele gesteldheid. Een imam of dawaprediker duidt bijvoorbeeld kort aan hoe en waarom moslims in een bepaald deel van de wereld worden vervolgd en bedreigd om af te sluiten met een bede als &#8216;Allah, hoe lang nog moeten onze broeders en zusters dit lijden ondergaan? Wanneer zendt gij uw hulp?&#8217;, waarbij de goede verstaander weet dat hij of zij zelf wel eens door God geroepen zou kunnen worden om als instrument in Zijn handen die afgesmeekte hulp te bieden (lees: geweld te plegen). De gelovige die zich vervolgens geroepen voelt door God, gaat op zoek naar personen en instanties die hem verder naar het slagveld, oefenterrein of wat ook leiden. Uiteraard komen georganiseerd ronselen en rekruteren ook voor, maar de zojuist geschetste weg is mijns inziens het pad dat de islam traditioneel biedt aan jihadstrijders.<br />
De aard van de korantekst draagt hier bij recitatie ook toe bij omdat God zich in vele verzen direct tot de gelovige richt met aansporingen in de tweede persoon enkelvoud.</p>
<p>B. Componenten aan de radicale islam. De drie onderscheiden componenten aan de radicale islam (p.15) zijn relevant en stellen een veiligheidsdienst ongetwijfeld in staat haar werkzaamheden op gedifferentieerde wijze af te stemmen op verschillende vormen van activiteiten die de democratische rechtsorde bedreigen. Dat geldt ook voor de drie categorieën van radicalisme (p.16vv), zoals ze voor de radicale islam worden uitgewerkt (p.20vv).</p>
<p>C. Oemma. Het is juist dat de drie door de AIVD onderscheiden vormen van radicale islam in hoge mate bij elkaar horen vanwege het gemeenschappelijke zicht op de oemma als een nog slechts gedeeltelijk gerealiseerde en dus nog verder te realiseren islamitische wereldgemeenschap (p.22). Mijns inziens verklaart deze gemeenschappelijke factor voor een deel waarom er weinig of geen ideologische en gewapende strijd is tussen radicale moslims onderling en waarom een radicale moslim gemakkelijk van de ene radicale vorm naar de andere kan overstappen.</p>
<p>D.  Liberale islam: afwezig of marginaal. In de Nederlandse islamdiscussie wordt veel geschreven en gesproken over de liberale islam. Zo stelt de heer Schoof van NRC-Handelsblad van 23 december 2004 dat &#8216;zo&#8217;n 95 procent van alle moslims in Nederland&#8217; liberaal zou zijn volgens Van dawa tot jihad. In het rapport zelf ben ik woorden van die strekking niet tegengekomen. Terecht niet want het zou niet met de feiten stroken en het rapport zou erdoor op flagrante wijze met zichzelf in tegenspraak zijn. Het stelt immers: &#8216;Liberaal-islamitische denkers staan in de voornamelijk autoritair bestuurde landen met een overwegend islamitische bevolking op zijn zachtst gezegd aan de zijlijn van het politiek of intellectueel relevante vertoog. Ook in het democratische Nederland spelen liberaal-islamitische stromingen nauwelijks een rol bij de politieke koersbepaling&#8217; (p.24). Deze helaas juiste constateringen acht ik van belang, omdat mijns inziens een onderdeel van het geringe weerstandsvermogen in Nederland tegen radicaal-islamitische dreigingen (p.50) is dat velen menen te kunnen bouwen op een grote groep liberale moslims die de in grote meerderheid democratisch en rechtsstatelijk gezinde niet-moslims wel ter zijde zullen staan als de nood ooit echt aan de man zal komen. Zulke grote aantallen liberale moslims zijn er echter eenvoudigweg niet - ook niet in Nederland, zoals in bijlage II nader geschetst zal worden. (In een correspondentie met de heer Schoof heeft hij inmiddels geschreven dat het juister was geweest om die 95 procent gematigd te noemen.)</p>
<p>E.  Jihad als apocalyptische strijd.  Wat betreft het onderscheid tussen de klassieke radicaal-politieke islam en het radicaal-islamitisch puritanisme (p.27), in dat onderscheid acht ik vooral relevant de aanmerking van de jihad als een soort apocalyptische strijd met de Dar al Harb. Zoals de aanslagen op 11 september 2001 hebben laten zien gaat zo&#8217;n jihad in destructie en werkveld vele stappen verder dan de traditionele jihad. Maar ook dient dit punt ons ervoor te waarschuwen dat niet alle lessen omtrent de jihad zoals hij historisch is gevoerd, direct zijn te vertalen naar de huidige jihad voorzover ernaar gestreefd wordt die desnoods apocalyptische vormen te laten aannemen.<br />
Hierbij is me echter onduidelijk in hoeverre de als apocalyptisch op te vatten jihad ook volgens alle aanhangers bedoeld is als een eindstrijd, dus tot het Laatste Oordeel, of dat er ook aanhangers zijn die menen dat er op de puinhopen van die apocalyptische jihad alsnog een wereldomspannende islamitische staat op te richten zou zijn.</p>
<p>F.  Geen rationele strategieën. Het lijkt me van belang dat het rapport uitdrukkelijk stelt dat de radicale islam nauwelijks rationeel uitgewerkte en expliciet geformuleerde strategieën heeft (p.32). Ook dit acht ik relevant in het kader van de in punt D aangestipte geringe weerstand. Ik heb namelijk de indruk dat veel democratisch en rechtsstatelijk ingestelde niet-moslims het radicaal-islamitische gevaar niet zo groot achten omdat ze de westerse opvattingen van rationele uitwerking en expliciete formulering op de radicale islam projecteren om vervolgens te constateren dat beide afwezig zijn en dat het &#8216;dus&#8217; om een vermeend gevaar zou gaan. Voor een radicale moslim staat het zich geroepen voelen door God op een hoger plan dan het rationele analyseren, uitstippelen en betogen; zie ook punt A. Ook als een moslim die zich door God geroepen acht, niet precies begrijpt waartoe hij is geroepen, zal hij weinig bedenkingen krijgen. De islam ontmoedigt het nu eenmaal om zelf en zelfstandig zaken te onderzoeken en te doorgronden. De reden is: als de koran ergens niets over zegt, dan heeft God kennelijk niet gewild dat we dat zouden weten of begrijpen. De gelovige zou daarom het &#8216;ongeziene&#8217;, zoals het in de islamitische theologie heet, moeten aannemen zonder verder te vragen. Men dient eenvoudigweg te geloven (als het een geloofskwestie betreft) dan wel eenvoudigweg te handelen (als het om een handelingskwestie gaat).<br />
Voor de jihad en terrorisme kan het ontbreken van een rationele strategie betekenen dat iemand z&#8217;n daden pleegt ook al zijn ze nog zo kansloos om wat voor doel dan ook dichterbij te brengen. Vandaar dat Mohammed B. zijn moord op Theo van Gogh voor zichzelf kan plaatsen in het kader van de jihad, ook al is er in bijna niemands optiek sprake van een jihad in Nederland.</p>
<p>G. Leer van de koranische pedagogie. Noot 28 wijst op het begrip takiyya (p.34). Omdat daar geen christelijke, humanistische, liberale of sociaal-democratische pendant van is, zijn veel democratische en rechtsstatelijk gezinde Nederlanders geneigd alle woordvoerders van de moslimgemeenschappen op hun woord te nemen. Dat is in gevallen waarbij een woordvoerder takiyya meent te moeten hanteren, niet terecht uiteraard, maar verklaart wel een deel van de lage weerstandscapaciteit van democratisch en rechtsstatelijk ingestelde niet-moslims (p.48vv); zie ook de punten D en F.<br />
Juist vanwege de onbekendheid met het takiyya-verschijnsel juich ik het toe dat u er enkele voorbeelden van geeft. Onder meer op p.50 is dat het geval aan het slot van de eerste alinea: een moskeebestuur dat zich naar de lokale overheid anders uitspreekt en gedraagt dan in kleinere kring. Uw vermoeden dat sommige radicale moslims goed weten waar de grenzen van de Nederlandse wet liggen en in het openbaar een ander geluid laten horen dan in besloten kring (p.54) is een ander voorbeeld. Wellicht viel de leugen van imam El-Moumni tegen minister Van Boxtel ook onder takiyya.<br />
In de context van het begrip takiyya acht ik het van belang de begrippen &#8216;afschaffing&#8217; en &#8216;koranische pedagogie&#8217; in ogenschouw te nemen. Onder afschaffing wordt verstaan dat gezien de volgorde waarin de openbaringen aan Mohammed zijn gedaan, bepaalde verzen in het licht van latere verzen komen te vervallen. De koran zegt erover: &#8216;Welk teken Wij ook afschaffen of doen vergeten, Wij komen met iets beters of iets gelijkwaardigs&#8217; (2:107). Afschaffing heeft vooral betrekking op verzen in Mekkaanse soera&#8217;s (dus van vóór Mohammeds vlucht naar Jathrib, het latere Medina). Over het algemeen zijn de Mekkaanse soera&#8217;s, toen Mohammed nog slechts profeet was in een hoofdzakelijk polytheïstische omgeving waaraan hij zich diende aan te passen, zachtaardiger dan de Medinese verzen die de Mekkaanse vervangen. In Medina was Mohammed behalve profeet ook legeraanvoerder en dictator. Zo spreekt Mohammed mild over alcoholische drank in de Mekkaanse soera 16, terwijl hij ze in de Medinese soera&#8217;s 2 en 4 afkeurt en wijn in de nog latere Medinese soera 5 scherp veroordeelt als &#8216;gruwel van Satans makelij&#8217;. De bestraffing van overspel is een ander voorbeeld, waarbij de afschaffing bovendien wordt doorgetrokken naar de hadith: aanvankelijk dienden bij overspel man en vrouw elk honderd zweepslagen te ontvangen, maar later diende een overspelige vrouw ter dood gestenigd te worden.<br />
Uit de afschaffingsleer vloeit voort de leer van de koranische pedagogie: God zou de overgang van het losbandige niet-islamitische leven naar het strenge bestaan als moslim hebben willen vergemakkelijken door de islam in stappen te presenteren, eerst in zijn milde gestalte (namelijk in de Mekkaanse soera&#8217;s), later in zijn strenge vorm (namelijk in de Medinese soera&#8217;s). Precies zo - dus in navolging van Mohammed, het beste voorbeeld voor een moslim - zouden ongelovigen in landen waarin de moslims vooralsnog in de minderheid zijn, geleidelijk met de islam vertrouwd gemaakt moeten worden. Ze dienen dus eerst kennis te maken met gedachtes uit Mekkaanse soera&#8217;s en pas rond of spoedig na bekering tot de islam met gedachtes uit Medinese soera&#8217;s.<br />
Het mijns inziens belangrijkste voorbeeld van afschaffing en dus ook van de koranische pedagogie is het standpunt over godsdienstvrijheid. In de allereerst Medinese soera 2 (als Mohammed de macht nog niet heeft overgenomen in Medina) verluidt het: &#8216;Er is geen dwang in de religie&#8217; (vers 257). In de latere Medinese soera 9 (vermoedelijk tijdens de verovering van Mekka) luidt het echter: &#8216;Wanneer de gewijde maanden zijn verstreken, doodt dan de afgodenaanbidders waar gij hen aantreft […] Maar wanneer ze zich berouwvol bekeren, het gebed verrichten en aalmoezen geven, laat hen dan in vrijheid gaan&#8217; (vers 5).<br />
Kortom, wanneer ik een moslim &#8216;Er is geen dwang in de religie&#8217; hoor zeggen, dan weet ik niet of ik hem of haar kan geloven of niet: past hij/zij in stilte takiyya toe en tracht hij de toehoorders op een zachte, (koranisch-)pedagogisch verantwoorde manier in de islam in te wijden? Een goede moslim dient bovendien te weten dat Mohammed al in Mekka de joden Aboe Laheb en zijn vrouw die hem niet als profeet wilden erkennen, dood wenste: &#8216;Mogen de handen van Aboe Laheb en hij zelf verloren gaan. […] Ter verbranding zal hij in het vlammende vuur komen, en met hem zijn vrouw, die kwaadspreekster, die hout moet aandragen. En aan haar hals moet een touw hangen&#8217; (111:2-6). M&#8217;n vermoeden van takiyya wordt alleen maar groter in het licht van het feit dat een afvallige van de islam in beginsel ter dood gebracht zou dienen te worden, een maatregel die in veel moslimlanden is omgezet in een doodverklaring voor de wet; zie verder bijlage II, punt 1. Hoezo &#8216;Er is geen dwang in de religie&#8217; volgens de islam?<br />
De Soedanese schriftgeleerde Mahmoed Mohammad Taha heeft getracht de afschaffingsleer ongedaan te maken door de islam van de Mekkaanse soera&#8217;s als de ware islam te duiden en die van de Medinese soera&#8217;s als een door politiek gecorrumpeerde islam. Om die reden is hij in 1985 in het openbaar ter dood gebracht door ophanging.</p>
<p>H. Geen centraal leergezag. Op p.54-58 noemt het rapport veertien tegenstrategieën bij aan dawa gerelateerde dreigingstypen. Onder meer in de tegenstrategieën 2, 3 en 8 wordt gedoeld op gematigde moslims en moslimorganisaties. Een probleem is echter dat de islam geen centraal leergezag kent. Behalve over de kerndogma&#8217;s (zie verder bijlage II) staat het iedere moslim vrij te geloven, religieus te handelen en zich met anderen te organiseren zoals hij of zij wenst. Vandaar dat radicale moslims doorgaans lastig op te sporen zijn zoals het rapport diverse malen stelt. De Nederlandse overheid kan echter wel eisen dat zij voor allerlei maatschappelijke en politieke aangelegenheden structureel met één persoon in gesprek is, die voor die aangelegenheden alle moslims vertegenwoordigt. Het verdient daarom aanbeveling dat er één opperschrifgeleerde komt, die vijf secretarissen heeft, één voor elk van de vier soennitische rechtsscholen (zie verder bijlage II) en één voor de sjiieten in ons land. Op termijn zal dit binnen de moslimgemeenschap(pen) in een grotere homogeniteit en meer sociale controle resulteren en daarmee het weerstandvermogen binnen de moslimgemeenschap(pen) verhogen - die laatste merkt het rapport terecht als laag aan (p.50).<br />
Historische precedenten van de functie opperschriftgeleerde zijn de seyhülislam als oppermüftü (een müftü is een schriftgeleerde die op de sjaria gebaseerde gerechtelijke uitspraken doet) in het Osmaanse Rijk en de opperrabbijn van Israël, een functie die door Napoleon in het leven is geroepen omdat hij één woordvoerder namens alle joden wenste. (De EU-landen kunnen mijns inziens iets dergelijks voor elk EU-land eisen. De nationale opperschriftgeleerden zouden uit hun midden voor de EU een opperste schriftgeleerde kunnen kiezen.)</p>
<p>Bijlage II.  De begrippen orthodox en fundamentalistisch</p>
<p>Definities<br />
In het deel van noot 10, dat op p.16 staat, onderscheidt Van dawa tot jihad onder meer de orthodoxe en de fundamentalistische islam van elkaar. Onder orthodox verstaat het rapport &#8217;streng vasthoudend aan overgeleverde (meestal religieuze) leer, overeenkomstig alle voorschriften van de leer&#8217; en onder fundamentalistisch &#8216;orthodoxe, antiliberale (meestal religieuze) richting, met anti-intellectualistische inslag (geen vrijheid van debat, geen ruimte voor twijfel)&#8217;.</p>
<p>Het is juist dat de fundamentalistische islam binnen de orthodoxe islam valt. Dat is van belang in verband met de geringe weerstand tegen de radicale islam onder niet-moslims (zie ook bijlage I, de punten D, F en G). Immers, velen menen volgens mij dat de orthodoxen en de fundamentalisten twee verschillende categorieën zijn en dat de democratische rechtsorde van de eerste, bij verre grootste, categorie niets te vrezen zou hebben en slechts van de tweede, minderheidscategorie iets te duchten zou hebben. Dit is evenwel een grote misvatting, zoals het vervolg van deze bijlage tracht te schetsen.<br />
Voor het overige wekken bovenaangehaalde definities ten onrechte de indruk dat de orthodoxe islam ten minste neutraal zou staan ten opzichte van de democratische rechtsorde of daar eventueel gunstig tegenover zou staan en er dus mee in overeenstemming zou zijn of alsnog te brengen zou zijn. Immers, het predikaat &#8216;antiliberaal&#8217; staat bij fundamentalistisch, wat de suggestie open houdt om het predikaat &#8216;liberaal-neutraal&#8217; of &#8216;proliberaal&#8217; bij orthodox te voegen. Voorts staat &#8216;geen vrijheid van debat&#8217; slechts bij fundamentalistisch, wat het vermoeden zou kunnen oproepen dat het in de orthodoxe islam eenieder vrij staat op elk ogenblik over elk onderwerp de discussie te openen.</p>
<p>Mij lijkt het echter een feit te zijn dat reeds de orthodoxe islam in zijn maatschappelijke en politieke aspecten haaks staat op de liberale staatsinrichting in de zin van de democratische rechtsorde en dat ook hij reeds afkerig is van het vrije debat over om het even welke kwestie. Wat het eerste punt betreft, de orthodoxe islam en de daarop gestoelde staatsinrichting onderschrijven de eenheid van kerk en staat, de ongelijkheid voor de wet van man en vrouw, de ongelijkheid voor de wet van moslim en niet-moslim, de ongelijkheid voor de wet van heteroseksueel en homoseksueel en de instelling van de sjoera (in het soennitisme is dit een door de vorst benoemd adviescollege; in het sjiitische Iran is het een door het volk gekozen college waarvoor de kandidaten zijn goedgekeurd door een raad van geestelijken die als behoeders van de islamitische staat optreden, en waarvan alle uitgaande wetten getroffen kunnen worden aan een veto van diezelfde raad van behoeders).<br />
Wat het tweede punt betreft, de vrijheid van meningsuiting en dus ook van debat worden in de orthodoxe islam in twee opzichten ingeperkt. In de eerste plaats zijn er inperkingen vanuit de koran en de hadith: een standpunt dat inhoudelijk in strijd is met een koranvers en/of met een overlevering in de hadith is bij voorbaat verboden. In de tweede plaats geldt in de soennitische orthodoxie de leer van de consensus (&#8217;idzma&#8217;): elk aanvankelijk punt van discussie waarover op een later ogenblik overeenstemming wordt bereikt tussen de vier rechtsscholen (zie verderop), verwerft daardoor de status van orthodox dogma. In die overeenstemming zou immers Gods eenheid (&#8217;tawhied&#8217;) worden weerspiegeld. Op haar beurt zou die weerspiegeling een teken zijn dat God Zijn goedkeuring aan de betreffende zienswijze heeft gehecht. Het opnieuw ter discussie stellen van zo&#8217;n punt zou alleen al daarom een ketterse daad zijn omdat het zou getuigen van een houding van ingaan tegen Gods wil - dat zou &#8216;bida&#8217; (ongeoorloofde vernieuwing) zijn.<br />
Historisch, theologisch en, gezien de islamitische eenheid van kerk en staat, dus ook maatschappelijk en politiek zijn andere definities van orthodox en fundamentalistisch daarom juister. Daarbij verdient het de voorkeur om een zodanige terminologie te kiezen die aansluit zowel bij het islamitische gedachtegoed als bij het westerse denken in het algemeen en dat over de democratische rechtsorde in het bijzonder, en wel om te voorkomen dat westerse begrippen en indelingen niet door moslims worden herkend vanwege de afstand tot islamitische begrippen en indelingen.</p>
<p>Onder de orthodoxe islam wordt verstaan die islam die de leer van de ongeschapen koran aanhangt. Die leer houdt in dat de tekst van de koran nooit door God is geschapen, maar altijd een attribuut van Hem is geweest. Daarom is de koran niet slechts Gods woord, maar ook goddelijk van aard. En de koran zou ook niet zozeer aan Mohammed zijn geopenbaard als wel op de aarde zijn neergedaald. Daar de orthodoxe islam, die vanaf 849 onafgebroken dominant is geweest, theoretisch pas door al-Asjari (873-935) afdoende is onderbouwd, is het gebruikelijk deze vorm van islam als asjaritisch aan te duiden. Zowel het soennitisme als het sjiitisme zijn asjaritisch.</p>
<p>Zoals gesteld zijn er binnen de soennitische orthodoxie vier rechtsscholen. Dit zijn de sjafiitische, de malikitische, de hanafitische en de hanbalitische rechtsschool. Tussen hen bestaat er overeenstemming over de dogma&#8217;s van de islam zoals de leer van de ongeschapen koran, de leer van de consensus, de leer van het conceptuele atomisme (God zou het universum elk ogenblik geheel vernietigen en ook weer herscheppen) en de predestinatieleer. Over zaken van secundair, tertiair enzovoort belang hoeft geen overeenstemming te bestaan: mag een ongestelde vrouw een moskee betreden? dient men zijn voeten vóór het binnengaan in de gebedsruimte in stromend water te wassen of mag het ook in stilstaand water? Enzovoort. Al vanaf het begin van de islam is de hanbalitische school de meest conservatieve en de meest strikte. En al heel lang valt het gebied waarbinnen zij dominant is samen met de politieke eenheid waar Mekka en Medina binnen vallen. Op dit moment is dat het koninkrijk Saoedi-Arabië. Welnu, sedert het gezamenlijke optreden van het Huis Saoed en Ibn Abd al-Wahhab (1703-1792) vallen het wahhabitisme als theologisch-politiek stelsel en het hanbalitisme als theologisch-juridisch stelsel grotendeels met elkaar samen, personeel, inhoudelijk en kwa verspreidingsgebied. Een recente uitzondering hierop is het hanbalisme/wahhabitisme: mede vanwege de financiële ondersteuning van het wabbabitisme door rijke Saoedi&#8217;s is de verspreiding daarvan buiten Saoedi-Arabië de laatste decennia aanzienlijk.<br />
Een hoofdkenmerk van het wahhabisme is dat de eenheid van God nog sterker wordt benadrukt dan in de orthodoxie al het geval is. Dat wil zeggen, in elke schoonheidsbeleving aan een schilderij of gedicht en in elke bewondering voor een wetenschappelijke theorie of technologische verrichting zou men dat kunstvoorwerp, die theorie of dat apparaat feitelijk vergoddelijken, hoe weinig ook maar, en daarmee indirect iets goddelijks naast God aannemen en dus Zijn volstrekte eenheid aantasten.</p>
<p>Onder de fundamentalistische islam wordt verstaan die tak binnen de orthodoxe islam, die alles ondergeschikt maakt aan God en de koran om zo Gods eenheid tot uitdrukking te brengen en niet te ontkrachten. Het fundamentalisme kan als hanbalitisch maar ook als wahhabitisch worden aangeduid.</p>
<p>Het is van belang zich te realiseren dat het een moslim is toegestaan om op elk willekeurig ogenblik over te stappen van de ene rechtsschool naar de andere, integraal of in verband met een bepaald onderwerp. Oftewel, een moslim die de sjafiitische, malikitische of hanafitische rechtsschool volgt, kan van het ene moment op het andere op de hanbalitische overstappen en daarmee onmiddellijk in fundamentalistisch vaarwater terechtkomen. Iets dergelijks moet bij Mohammed B. gebeurd zijn: als Marokkaan was hij aanvankelijk waarschijnlijk malikitisch, maar is hij enkele jaren terug hanbalitisch en dus ook wahhabitisch geworden.</p>
<p>Vanuit de tweede definitie vertrekkend kan men de radicale islam definiëren als die fundamentalistische islam, waarvan de aanhangers van de theorie en logistieke voorbereiding zijn overgegaan op het daadwerkelijke voeren van de jihad. Een orthodoxe moslim duidt men in dit kader vaak aan als een gematigde moslim.</p>
<p>Om het beeld volledig te maken moet hier nog een derde definitie volgen, namelijk die van de liberale islam.</p>
<p>De liberale islam hangt de leer van de geschapen koran aan. Deze leer houdt in dat de korantekst weliswaar Gods woord is, maar dat hij op enig moment is geschapen - volgens de meeste aanhangers van deze leer zou de korantekst op enig moment kort vóór zijn bekendwording aan Mohammed door de aartsengel Gabriël geschapen zijn. De liberale islam wordt aangeduid als moetazilitisch.</p>
<p>De integratie van de moslims in de democratische rechtsorde zal slechts slagen als er voldoende liberale moslims komen: anders dan de orthodoxe (en fundamentalistische) islam gaat de liberale islam uit van de vrije wil. De vrije wil is nu eenmaal de kern van de democratische rechtsorde - ook in het zich vrijwillig aaneensluiten van twee of meer individuen in het maatschappelijke verkeer en in de politieke besluitvorming. Om de liberale islam te bevorderen is het noodzakelijk dat de islam een fase doorgaat zoals het westerse christendom heeft meegemaakt kort na de Reformatie. Precies zoals de katholieke kerk diende te aanvaarden dat er andere, namelijk protestantse, interpretaties van de bijbel mogelijk zijn, zo zullen de orthodox-islamitische schriftgeleerden dienen te aanvaarden dat er andere, namelijk liberale, interpretaties van de koran en de hadith mogelijk zijn.</p>
<p>In ons land wordt vaak gesteld dat de islam een periode van Verlichting dient door te maken. Dit is mijns inziens juist, met dien verstande dat daar een periode van &#8216;protestantisering&#8217; aan vooraf zal dienen te gaan. Mijns inziens zijn strategieën die een islamitische Verlichting trachten te bevorderen, terwijl er nog geen islamitische protestantisering heeft plaats gehad, daarom niet alleen gedoemd te mislukken maar zullen ze zelfs een averechts effect hebben. Niet uit te sluiten valt dat de huidige radicalisering onder moslimjongeren deels te verklaren is uit die geforceerde islamitische Verlichting. Het zou juister zijn eerst de liberale islam te bevorderen. Aangezien de orthodoxe islam de liberale islam op dit moment als ketterij en als geloofsafval interpreteert terwijl hij op ketterij en geloofsafval de doodstraf stelt, zullen liberale moslims vooralsnog extra beschermd dienen te worden door de democratische rechtsorde waarbinnen immers de vrijheid van godsdienst ook voor moslims geldt.</p>
<p>Islam en democratische rechtsorde<br />
Bovenstaande definities van orthodoxe, fundamentalistische en liberale (en dus ook van gematigde en radicale) islam gaan uit van een deels theologisch in plaats van louter niet-theologisch begrippenkader. Men hoort en leest wel eens de gedachte dat dat op gespannen voet zou staan met de democratische rechtsorde omdat die impliciet uitgaat van een scheiding van kerk en staat. Die gedachte is uiteraard in die zin juist dat de overheid zich dient te onthouden van uitspraken omtrent welke vorm van islam theologische gezien de juiste zou zijn. Het is echter onjuist om in de islamdiscussie in het geheel geen gebruik te maken van theologische begrippen. De islam gaat immers uit van een eenheid van kerk en staat. Daarom ontneemt eenieder die over geen enkel theologisch begrip van de islam wil spreken vanwege de scheiding van kerk en staat, zichzelf de mogelijkheid om politieke uitspraken te doen over de maatschappelijke en politieke aspecten van de orthodoxe islam. Deze kent de scheiding van kerk en staat nu eenmaal niet en doet in bepaalde theologische uitspraken ook meteen politieke uitspraken. Indien men daarom alle theologische begrippen uit zijn beschouwing bant, snoert men zichzelf de mond om politieke uitspraken te doen over de implicaties van de orthodoxe islam voor de democratische rechtsorde. Men kan echter buiten de theologische discussie over de islam blijven door een beschouwing niet te laten gaan over islam versus christendom, islam versus agnosticisme, enzovoort, maar over de islamitische staatsinrichting versus de democratische rechtsorde.</p>
<p>Bovenstaande definities van orthodoxe, fundamentalistische en liberale islam gaan dus terecht uit van een deels theologisch kader. Welnu, indien ze correct zijn - en dat zijn ze volgens mij -, dan zijn ze van belang, zowel voor een adequaat begrip van de islam in het algemeen en van de radicale islam in het bijzonder als voor een adequate bescherming van de democratische rechtsorde niet alleen op de korte maar vooral ook op de lange termijn.<br />
Om te beginnen is het van belang om erop te wijzen dat en waarom reeds de orthodoxe islam op gespannen voet staat met de democratische rechtsorde. Dat zit eerst en vooral in de leer van de ongeschapen koran. Immers, vanwege de menselijke aard van alle overige teksten zouden deze  teksten ondergeschikt zijn aan de koran en bij gebleken tegenstrijdigheid verworpen dienen te worden dan wel met de koran in overeenstemming gebracht moeten worden. Deze ondergeschiktheid geldt met name voor de Nederlandse grondwet in het algemeen en zijn democratische en rechtsstatelijke artikelen in het bijzonder.<br />
In feite beginnen de problemen bij de optiek op het al dan niet bestaan van de vrije wil. De orthodoxe islam en de erop gebaseerde staatsinrichting ontkennen deze en hangen dan ook de predestinatieleer aan. Reeds in de orthodoxe islam en niet pas bij de fundamentalistische islam is de vrije wil een illusie: God bestiert al ons juiste maar ook onjuiste denken, waarnemen, voelen en handelen. Welnu, daar de vrije wil het kernbegrip is van de democratische rechtsorde, kan het niet anders of de orthodoxe islam is op de lange termijn eenzelfde bedreiging voor de democratische rechtsorde als dat de fundamentalistische en a fortiori radicale islam dat op de korte termijn is voorzover deze zich gewelddadig uiten of anderen aanzetten tot geweld.<br />
Het verschil tussen de orthodoxe en de fundamentalistische islam is niet dat de eerste positief zou staan ten opzichte van de democratische rechtsorde en de tweede niet, maar dat de eerste, beperkt tot de sjafiitische, malikitische en hanafitische rechtsscholen, de democratische rechtsorde lijdzaam duldt en er zich dus vooralsnog vreedzaam tegenover opstelt, terwijl de tweede de democratische rechtsorde nu reeds of zeer binnenkort in woord (dawa) of in daad (jihad) negatief tegemoet treedt; zie ook takiyya en de leer van de koranische pedagogie in punt G van bijlage I. Zowel een sjafiitische, malikitische of hanafitische moslim als een hanbalitische/wahhabitische moslim betonen zich daarmee een goede gelovige daar beiden Gods wil uitvoeren: de eerste ondergaat de niet-islamitische staat als een beproeving door God, precies zoals de tweede zich in woord of daad tegen de democratische rechtsorde verzet omdat God hem daartoe roept. Daarbij zal de sjafiiet, malikiet of hanafiet zijn fundamentalistische, want hanbalitische, broeder niet afvallen, precies zoals deze zijn niet-fundamentalistische broeder niet zal afvallen, daar de aanhangers van de vier rechtsscholen elkaar als goede moslim aanvaarden en erkennen. Dit verklaart waarom orthodoxe moslims over elkaars daden wanneer die door niet-moslims worden afgekeurd, doorgaans zwijgen of er terughoudend en vergoelijkend over spreken indien ze daartoe worden uitgenodigd. Alleen het hedendaagse salafisme en andere vormen van ultrafundamentalistische islam zijn hierop een uitzondering, zoals Van dawa tot jihad op een aantal plaatsen schetst: hun aanhangers zullen niet rusten vóór alle niet-moslims (en daar rekenen ze ook de sjafiieten, malikieten en hanafieten toe) hún islam aanvaarden.<br />
Slechts de liberale islam gaat van de vrije wil van de mens uit en is dus in beginsel in overeenstemming te brengen met de democratische rechtsorde en haar uitgangspunten.</p>
<p>Van orthodoxe leer naar radicale praktijk<br />
Aan de hand van bovenstaande analyse loop ik een achttal passages uit Van dawa tot jihad langs omdat ze lacunes hebben om nu reeds integraal te dienen als een onderbouwing van en leidraad bij de werkzaamheden van de AIVD in verband met de verdediging van de democratische rechtsorde in het algemeen en de bestrijding van de radicale islam in het bijzonder.</p>
<p>1. Doel van de radicale islam en doel van de orthodoxe islam. Op p.15 vat het rapport radicalisme op als &#8216;het (actief) nastreven en/of ondersteunen van diep ingrijpende veranderingen in de samenleving die een gevaar kunnen opleveren voor (het voortbestaan van) de democratische rechtsorde (doel) […]&#8216;. Bekeken op de lange termijn valt de orthodoxe islam onder deze omschrijving, want ook hij heeft de wereldheerschappij in zijn doelstellingen staan en wil de samenleving veranderen in de richting van de islamitische staatsinrichting, dus weg van de democratische rechtsorde. Ik noem slechts:<br />
voor de wet is de vrouw de helft waard van de man, onder meer als getuige en als erfgename; er zijn beperkingen aan de uitoefening van een niet-islamitische religie; een moslim mag niet van zijn geloof afvallen (&#8217;mag de islam niet verlaten&#8217;) - strikt genomen staat daar de doodstraf op (zie ook bijlage I, punt D), maar onder invloed van contacten met het westen is dat veelal veranderd in een doodverklaring voor de wet zoals verplichte scheiding, ontzetting uit de ouderlijke macht en onterving; door koran en hadith en op grond van de leer van de consensus beperkte vrijheid van meningsuiting; afbouw en afschaffing van vrije en geheime verkiezingen bij het invoeren van de sjoera.</p>
<p>Het is daarom juister de &#8217;soevereiniteit van God&#8217; niet alleen aan de radicale islam te koppelen (p.24 en noot 19 op p.25), maar ook aan de orthodoxe islam.</p>
<p>De orthodoxe islam heeft het probleem dat iemand die daarin geboren is, niet van dat geloof mag afvallen. Dat brengt onder meer met zich mee dat er veel lauwe orthodoxe moslims zijn. Dat maakt hen echter nog niet tot niet-moslims of tot liberale moslims en nog minder tot mensen die de kant van de democratische rechtsorde zullen kiezen als het ooit tot een conflict mocht komen tussen diegenen die de democratische rechtsorde willen handhaven en verdedigen, en diegenen die een islamitische staat willen vestigen.</p>
<p>2. Wereldkalifaat.  Op p.20 stelt het rapport dat het ultieme doel van de radicale politieke islam onder meer het wereldkalifaat is. Dit is echter ook het doel van de orthodoxe islam. Veel orthodoxe moslims spreken daar echter niet over en zijn realistisch genoeg om in te zien dat daar op korte termijn geen sprake van zal zijn, zeker niet als sommige geloofsbroeders er nu al gewelddadige middelen voor inzetten. Zie echter takiyya en de leer van de koranische pedagogie in bijlage I, punt G.</p>
<p>3. Intermenselijke verhoudingen. Op p.21 stelt het rapport dat het radicaal-islamitische puritanisme zich verzet tegen &#8216;de wijze waarop in de westerse samenlevingen aan intermenselijke verhoudingen vorm wordt gegeven&#8217;. Dit verzet bestaat echter in de gehele orthodoxie; zie punt 1. De meeste orthodoxe moslims geven ook hieraan doorgaans geen of nauwelijks uiting. Zie ook hier punt G in bijlage I voor takiyya en de leer van de koranische pedagogie.</p>
<p>4. Democratische rechtsorde: onislamitisch of westers?  In noot 14 op p.21 vraagt het rapport: &#8216;wordt de democratische staatsinrichting afgewezen omdat ze als onislamitisch wordt gezien of omdat ze van westerse origine is?&#8217;. Gezien de islamitische eenheid van kerk en staat en gezien de onverenigbaarheid van de islamitische staatsinrichting en de democratische rechtsorde (zie onder meer punt 1), kan het antwoord op deze vraag ondubbelzinnig luiden: de democratische staatsinrichting wordt door de gehele orthodoxe islam en niet alleen door de fundamentalistische of radicale islam afgewezen omdat ze onislamitisch is.</p>
<p>5. Exclusiviteit en parallellisme. Op p. 21v wijst het rapport in de context van het radicaal-islamitisch puritanisme op &#8216;exclusivisme: prediking van (religieuze en culturele) intolerantie […] en parallellisme (geheel of gedeeltelijk niet erkennen van de niet-islamitische overheid en streven naar autonome sharia gebieden)&#8217;. Echter, integraal onderdeel van de orthodoxe islam zijn allerlei bepalingen over dhimmi&#8217;s. Een dhimmi is een christen of jood in een moslimstaat. Voor hem gelden allerlei bepalingen die vanuit de democratische rechtsorde ronduit discriminerend zijn. Strikt genomen zou een dhimmi gedood dienen te worden, maar als hij beschermingsbelasting (&#8217;dzizja&#8217;) betaalt, mag hij blijven leven en wordt hij door de moslimoverheid beschermd. Een dhimmi mag geen wapens dragen (hij mag dus ook niet in het leger of bij de politie) en dient respect voor moslims te betuigen - de toren van een kerk of synagoge mag niet hoger zijn de dichtstbijzijnde minaret; een dhimmi op een ezel dient van zijn ezel af te stappen tot een moslim op diens ezel is gepasseerd; enzovoort. Zie bijvoorbeeld het boek van Bat Ye&#8217;or, Dhimmitude. Mede daarom voorspel ik dat er in West-Europa binnen vijf jaar een gijzeling of een andere gewelddadige actie zal plaats hebben om een zekere islamitische autonomie af te dwingen in een stadswijk met een moslimmeerderheid.</p>
<p>Vanuit de leer van de koranische pedagogie (bijlage I, punt G) dient hieraan toegevoegd te worden dat er van dhimmi&#8217;s per definitie pas sprake is na de machtsovername door moslims, dus binnen de islamitische staat. Oftewel, er zijn pas dhimmi&#8217;s in de Medinese periode van de geschiedenis van een land. Voordien, dus in de Mekkaanse periode, dient een moslim zich anders te uiten en op te stellen tegenover niet-moslims, namelijk conform de wetten van het land waarin men verblijft.</p>
<p>6.  Oemma.  De drie door het rapport onderscheiden vormen van radicale islam worden samengebonden door de ideologie van de oemma als een (te realiseren ideale) islamitische wereldgemeenschap (p.22). Ook deze factor is evenwel een integraal element van de orthodoxe islam; zie verder punt 2.</p>
<p>7. Eenheid tussen religie en staat. Op p.23 stelt het rapport: &#8216;De politieke islam geeft een politieke interpretatie van de bronnen van de islam en pretendeert een allesomvattende ideologie te kunnen bieden. Daarbij staat de eenheid tussen religie en staat centraal. Dit staat haaks op het westerse staatsconcept, dat juist een scheiding tussen kerk en staat postuleert. Eveneens kan de eenheid van religie en staat […] niet aan de koran zelf worden gerelateerd&#8217;. Dat laatste moge wellicht zo zijn in de ogen van niet-moslims, maar feit is dat reeds de orthodoxe islam en niet slechts de politieke islam uitgaat van de eenheid tussen religie en staat. Dat is al zo sedert 849 toen de schriftgeleerden en de vorst een historisch compromis sloten bij het weer als orthodox verklaren van de leer van de ongeschapen koran (die toen bijna 30 jaar als ketters was aangemerkt): aan de schriftgeleerden zou de wetgeving toevallen en aan de vorst de uitvoering. Met andere woorden, de islam kent een scheiding van wetgevende en uitvoerende macht die tevens een scheiding tussen het seculiere en het reguliere is. Die scheiding is in westerse zin echter per definitie een eenheid van kerk en staat, omdat de wetgeving aan de schriftgeleerden, dus aan vertegenwoordigers van het reguliere, is toevertrouwd.<br />
Afgedacht van al het andere zal het wortelschieten van de scheiding van kerk en staat in de moslimgemeenschap alleen om ten minste twee redenen lastig tot zeer lastig worden: de islamitische eenheid van kerk en staat is reeds zeer oud en doordringt het hele doen en laten van moslims; de islam kent reeds een soort scheiding maar dan tussen groepen mensen, namelijk regulieren en seculieren.</p>
<p>Bekeken vanuit het historische compromis van 849 komt het me voor dat het dienstig zou zijn om onderzoek te doen naar de gedachte in de zin &#8216;Historisch gezien was het de staat die zich de religie heeft toegeëigend om de belastingsheffing in islamitische gebieden te rechtvaardigen&#8217; (p.23).</p>
<p>8. Islam en democratie. &#8216;Van onverenigbaarheid van islam en democratie in haar algemeenheid is geen sprake&#8217; (p.23). De liberale islam en de democratische rechtsorde zijn inderdaad goed met elkaar te verenigen. Het probleem is echter dat er nauwelijks liberale moslims zijn, ook in ons land, terwijl hun bijdragen nauwelijks relevant zijn voor de islamdiscussie zoals die in West-Europa aan de gang is (p.24). Bovendien erkent de orthodoxe islam de liberale islam niet als islamitisch, wat vanuit het orthodoxe standpunt bekeken logisch en begrijpelijk is: de koran kan niet tegelijkertijd ongeschapen én geschapen zijn. Daar komt bij dat het overstappen van de orthodoxe naar de liberale islam door orthodoxen als geloofsafval wordt opgevat zodat een liberaal geworden moslim voor zijn leven moet vrezen, want - zoals reeds in punt 1 gesteld - op geloofsafval staat strikt genomen de doodstraf. Hoe dit ook zij, er is bij mijn weten en bij navraag bij enkele goed in de islam ingevoerde moslims nergens ter wereld een liberale koranschool, imam, schriftgeleerde of moskee.</p>
<p>Het rapport daarentegen gaat uit van verenigbaarheid tussen orthodoxe islam en democratische rechtsstaat en geeft twee voorbeelden: het sjoera-begrip &#8216;voorziet in maatschappelijk consultatie&#8217;en het bajat-beginsel &#8216;kan naar een maatschappelijk contract worden vertaald&#8217; (p.23v). Inderdaad waren en zijn er moslims die een aantal islamitische concepten heeft trachten te vertalen naar de democratische rechtsorde. Dat is bijvoorbeeld al door de Jong Osmanen rond 1865 in het Osmaanse Rijk gedaan; zie E.J. Zürcher, Een geschiedenis van het moderne Turkije, 1995, p.80v. Daar hebben Mustafa Kemal, de latere Atatürk, en zijn medestanders later op voortgebouwd bij de stichting van de Turkse Republiek. Ik kan niet beoordelen hoe succesrijk Turkije er in is geweest om langs die weg een democratische rechtsorde te vestigen, maar ik hoor en lees daar zeer ontmoedigende berichten over. Eén en ander zal de komende 10, 15 jaar wel duidelijk worden door de onderhandelingen over toetreding van Turkije tot de EU. Een meer recente poging tot &#8216;vertalen&#8217; is van de Turkse wetenschapper Yasar Nuri Öztürk. Volgens hem komen de democratische beginselen al in de koran voor en zijn ze dus veel ouder dan de Verlichting en de Franse Revolutie. Hier is echter de vraag op z&#8217;n plaats waarom er dan nog geen democratische rechtsorde is in een moslimstaat.</p>
<p>Wat dit soort en andere &#8216;vertalingen&#8217; van de islam naar de democratische rechtsorde betreft, het lijkt me dat er een aantal conceptuele onverenigbaarheden in het spel zijn, die ik voor onoplosbaar houd; zie punt 1. Dat blijkt ook uit de formuleringen in het rapport: consultatie (bij &#8217;sjoera&#8217;) is nog geen geheime en vrije verkiezing voor een wetgevend college en &#8216;vertaald kunnen worden naar&#8217; (bij &#8216;bajat&#8217;) is nog wat anders dan het daadwerkelijk vertalen naar een consistent begrippenapparaat en het daarbinnen consistent houden met de overige begrippen. Voor moslims die oprecht de democratische rechtsorde wensen, zit er mijns inziens niets anders op dan liberaal te worden in bovenstaande zin. Dan en alleen dan zal een &#8216;democratisch-politieke islam […] in Nederland gestalte […] krijgen&#8217; (p.24).</p>
<p>Afsluiting<br />
De AIVD acht het belangrijk &#8216;dat niet louter en voortdurend tegen de orthodoxe islam wordt aangeschopt. De vredelievende variant kan dienen als buffer tegen de gevaarlijker radicale fundamentalisten&#8217; (de Volkskrant, 23 december 2004). Zinnen met die strekking ben ik evenwel niet in Van dawa tot jihad tegengekomen. Maar zelfs als ze erin staan, dan passen twee gedachtes. Ten eerste, tegen de orthodoxe islam aanschoppen is onder alle omstandigheden een slechte zaak die nauwelijks een bijdrage zou leveren aan het islamdebat dat broodnodig gevoerd dient te worden en hopelijk door Van dawa tot jihad wordt bevorderd. Ten tweede, over de orthodoxe islam zwijgen is wel het laatste dat we zouden moeten doen: in plaats van een buffer te kunnen zijn tegen de fundamentalistische en/of radicale islam, is hij op z&#8217;n minst nauw verwant aan de fundamentalistische en dus ook de radicale islam. Ze putten alle drie uit dezelfde bron (koran en hadith) en delen met elkaar dezelfde dogma&#8217;s waarvan de leer van de ongeschapen koran de belangrijkste is.</p>
<p>Op korte termijn maar stellig ook op lange termijn is de orthodoxe islam de wortel van de problemen waar de democratische rechtsorde vanuit islamitische hoek mee te maken heeft en nog te maken gaat krijgen. Ik zie daarom maar één mogelijkheid om de problemen afdoende aan te pakken: het bevorderen van de liberale islam en dat van het remigreren van orthodoxe moslims. Een allereerste maatregel hebben zeven Nederlandse staatsburgers, onder wie ikzelf, al in het voorjaar gesuggereerd; zie bijgaand artikel in de Volkskrant. Toegespitst op moslims komt de maatregel hierop neer: een moslim die het Nederlanderschap wil verwerven, dient op de koran (niet op de grondwet vanwege takiyya!) te zweren dat hij/zij voor zijn/haar maatschappelijke en politieke handelen geen tekst hoger zal stellen dan de Nederlandse grondwet in het algemeen en zijn democratische en rechtsstatelijke artikelen in het bijzonder. Elke moslim die de eed op de koran heeft gezworen en dus Nederlander is geworden, zou daar vervolgens op aangesproken kunnen worden na een eventuele antidemocratische of antirechtsstatelijke uitspraak.<br />
De essentie van het eedvoorstel is dat de democratische rechtsorde en de islamitische staatsinrichting met elkaar worden geconfronteerd. Alleen een liberale moslim kan die eed afleggen. Een orthodoxe (en dus ook een fundamentalistische en/of radicale) moslim kan dat niet en kan daarom niet meer het Nederlanderschap verwerven. Anders gezegd, zelfs als alle negentien tegenstrategieën in het rapport (p.54vv) - en ik juich ze alle negentien van harte toe! - uitgevoerd zouden zijn, maar de Nederlandse wetgever zou het nalaten bovengeschetste of een andere confrontatie tussen de democratische rechtsorde en de islamitische staatsinrichting tot een eis voor het verwerven van het Nederlanderschap te maken, dan koestert de Nederlandse staat een adder aan de borst. Immers, de orthodoxe islam kan en zal zich dan getalsmatig blijven uitbreiden in ons land; de liberale islam zal dan niet van de grond komen; de orthodoxe islam zal zich dan niet van binnen uit in democratische en rechtsstatelijke richting vernieuwen; de fundamentalistische/radicale islam zal dan de orthodoxe leerstellingen en de islamitische staatsinrichting niet alleen in woord maar ook in daad blijven belijden. En dus dweilen de AIVD en andere veiligheidsdiensten dan met de kraan open, zonder hun doel ooit te bereiken.</p>
]]></content:encoded>
	</item>
</channel>
</rss>
