Hoe is het mogelijk dat de overheid enorme geldbedragen spendeert aan onzinkunst als een lege tent in een Zwolse vinex-wijk en een kabouter met dildo in Rotterdam, die deze maand voorlopig een plek krijgt op de binnenplaats van museum Boijmans van Beuningen. Volgens kunstschilder Lennaart Allan komt dat doordat de overheid letterlijk alles subsidieert waarvan de kunstwereld heeft bepaald dat het kunst is. Maar die kunstwereld zit nog altijd gevangen in een oude practical joke van Marcel Duchamp en de politiek zit gevangen in de mantra van Thorbecke dat de overheid geen beoordelaar mag zijn van de kunst. En zo komt er dus nooit een debat over cultuurpolitiek. Eén ding is duidelijk: het is mooi geweest.
The Institutional Theory of Art
De jaren zestig lieten een heropleving van het Dadaïsme zien. Rond Dada-kunstenaar Marcel Duchamp ontstond toen een cultus waar we nog steeds mee opgescheept zitten. Duchamp is vooral bekend geworden doordat hij de ‘readymade‘ heeft geïntroduceerd. De meest legendarische readymade was een urinoir dat Duchamp als kunstwerk inzond naar een groepstentoonstelling in 1917 in New York. Hij gaf het de titel Fountain en signeerde het met ‘R. Mutt’. Door de organisatoren van de tentoonstelling werd het urinoir echter geweigerd. Volgens een van de leden van de organisatie was het object ‘by no definition a work of art’. Later verdedigde Duchamp zijn inzending in het tijdschrift The Blind Man. Hij schreef:
Of Mr. Mutt met zijn eigen handen Fountain heeft gemaakt is irrelevant. Hij KOOS het. Hij nam een alledaags artikel, en plaatste het zo dat zijn nuttige betekenis verdween onder de nieuwe titel - en schiep een nieuwe gedachteinhoud voor het object.
Dit is meteen een goede omschrijving van de zogenaamde ‘readymade’. Een readymade is een alledaags of banaal voorwerp dat een kunstenaar, door het te kiezen en tentoon te stellen, uit zijn context licht en aldus tot kunst verheft.
Waarschijnlijk was de hele affaire rond het urinoir begonnen als een practical joke, die Duchamp tot op het bot heeft uitgemolken. ‘Ik wierp het flessenrek en het urinoir in hun gezichten als een uitdaging, en nu worden ze bewonderd om hun esthetische schoonheid’, zei hij in een interview in 1962.
Een autoritaire kunstopvatting
Helaas heeft deze grap voor de beeldende kunst grote consequenties gehad, die tot op de dag van vandaag merkbaar zijn. De grap was een anecdote gebleven als niet het Dadaïsme in de jaren zestig opnieuw in zwang was geraakt in de vorm van pop-art, conceptualisme en performance-kunst. Opeens verscheen toen een stortvloed van academische publicaties over Marcel Duchamp. In nauw verband daarmee staat de creatie van een nieuwe kunsttheorie, The Institutional Theory of Art . Deze theorie is in feite een uitgebreide filosofische uitwerking van Duchamps verdediging van zijn urinoir. Geen toeval, omdat de theorie was bedoeld als onderbouwing van de Duchamp-revival. De grondslag van de nieuwe kunsttheorie werd gelegd door filosoof/criticus Arthur Danto. Hij schreef in 1964 naar aanleiding van de ‘Brillo-dozen‘, een readymade van Andy Warhol:
Wat uiteindelijk het verschil maakt tussen een Brillo-doos en een kunstwerk dat bestaat uit een Brillo-doos, is een bepaalde kunsttheorie. Het is de theorie die de doos opneemt in de wereld van de kunst en hem beschermt tegen een terugval naar het object dat hij in werkelijkheid is. Zonder die theorie zal niemand hem als kunst zien, en om dat te kunnen inzien, moet men heel wat kunsttheorie beheersen plus een flinke portie geschiedenis van de recente New Yorkse schilderkunst.
De nieuwe kunsttheorie heeft haar definitieve versie gevonden in het werk van de filosoof George Dickie. Hij schreef in 1974:
Een kunstwerk in de classificerende zin is
(1) een artefact [dat wil zeggen: door mensenhanden gemaakt]
(2) de verzameling aspecten waaraan één of meerdere personen die handelen namens de kunstwereld de status toekennen van kandidaat voor waardering als kunst.
De bespottelijk plechtstatige formuleringen van Danto en Dickie komen erop neer dat iets kunst wordt als autoriteiten in de kunstwereld - curators, critici, galeriehouders en kunstenaars zelf - het kunst noemen. Die autoriteiten toveren iets om tot kunst, en de toverspreuk wordt gerechtvaardigd door The Institutional Theory of Art.
Die theorie heeft ook in Nederland grote invloed gehad. Dat blijkt onder meer uit het boekje Kunst in Crisis, een bundel artikelen uit 2003, waarin vooraanstaande museumdirecteuren, kunstenaars en critici hun visie geven op de toestand van de hedendaagse kunst en het te voeren beleid voor de toekomst. Het boekje geeft een interessant inzicht in de denktrant van de Nederlandse kunstwereld. Een selectie:
Duchamp heeft echter ontegenzeggelijk voor een nieuwe definitie van kunst gezorgd - een kunstvoorwerp ontstaat wanneer de kunstenaar zegt dat het kunst is, en het functioneert als kunstvoorwerp omdat het ding zich in een museum bevindt - en daarmee heeft hij de vraag naar wat kunst onderscheidt van de werkelijkheid oneindig veel complexer gemaakt (Chris Dercon, directeur Boijmans van Beuningen, Rotterdam).
De expliciete uitspraak dat een werkstuk (en het hoeft zelfs geen werkstuk te zijn) ’kunst’ is, [is] voldoende voor de opname in het systeem (Koen Brams, directeur Jan van Eyck Academie, Tilburg).
Kunst is context. Context is datgene wat om het kunstwerk heen hangt, als een aura, zo men wil, maar die dan wel uit flink wat wereldse componenten is samengesteld. Ik noemde daarnet kunstwereld, kunstgeschiedenis en kunstterminologie (Anna Tilroe, kunstcriticus NRC Handelsblad).
Gezien de eensgezindheid van deze kunstprominenten mag het geen verwondering wekken dat ook in de adviezen van de Raad voor Cultuur, het belangrijkste adviesorgaan van de overheid voor het kunstbeleid, zulke opvattingen over kunst vigeren:
Door de veranderende invulling van intentie, functie en werking valt de kwaliteit van de hedendaagse kunst eerder contextueel dan intrinsiek vast te stellen. (Vooradvies Raad voor Cultuur 2005-2008).
Kunst is dus kunst als de kunstwereld, die de subsidieverstrekkende instantie adviseert, vaststelt dat het kunst is. De overheid subsidieert letterlijk alles waarvan een bepaalde groep mensen heeft bepaald dat het kunst is. Iets is dus kunst omdat het gesubsidieerd wordt. Daarmee wordt elke serieuze kunstbeschouwing bij voorbaat onmogelijk. En het is onthutsend dat mensen uit de kunstwereld, die zich zo graag laten voorstaan op hun ‘speelse’, hoogst individuele, anti-autoritaire houding, een puur mechanische, autoritaire en collectivistische opvatting over kunst hebben.
Vuilnis
Om ons goed in te peperen dat letterlijk alles tot de categorie ‘kunst’ kan behoren, wordt in de musea voor hedendaagse kunst vaak vuilnis geëxposeerd. Zo kocht het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1998 een werk van Damien Hirst, getiteld Waste, dat bestaat uit een grote glazen bak met ziekenhuisafval. Dit kunstwerk - ook een readymade - heeft een prominente plaats gekregen in de overzichtstentoonstelling bij het afscheid van directeur Rudi Fuchs. Het wordt kennelijk gezien als één van zijn belangrijkste aankopen. Maar het kan nog gekker.
In 2003 kocht de gemeente Rotterdam het beeld ‘Santaclaus’ van Paul McCarthy, een zes meter hoge kerstman met in zijn hand een anusdildo, een zogenaamde buttplug, vandaar dat het beeld in de volksmond beter bekend staat als ‘Kabouter Buttplug’ of ‘de Sekskabouter’. Het beeld kostte 280.000 euro, exclusief sokkel. Rotterdam werd tot het kopen van ‘Santa Claus’ verleid door Joop van Caldenborgh, voorzitter van de adviescommissie Internationale Beeldencollectie (IBC) van de stad en groot bewonderaar van het werk van McCarthy.
Behalve Leefbaar Rotterdam, die als populistische partij geen moeite heeft met de stem des volks, durfde niemand in de gemeenteraad van Rotterdam tegen de aankoop van ’Santaclaus’ te stemmen. Het CDA stelde, vanwege de obsceniteit van het beeld, alleen maar als eis dat het op een minder prominente plaats zou komen dan pal naast de Doelen, wat aanvankelijk de bedoeling was. De VVD stemde ook niet tegen; zij beriep zich op de welbekende uitspraak van Thorbecke, dat de overheid geen beoordelaar is van de kunst. Behalve door de angst om voor filister door te gaan, wordt dit gebrek aan gezond verstand waarschijnlijk ook, nog steeds, veroorzaakt door de herinnering aan de repressie van de avant-garde door de nazi’s. Raadslid Arthur Vlaardingerbroek (ChristenUnie/SGP) gruwt van het beeld van McCarthy, maar ‘als je je als politicus inhoudelijk bemoeit met kunst, word je zowat voor nazi uitgemaakt’.
Het kiezen van de lokatie had veel voeten in de aarde; het beeld werd als een hete aardappel door de stad heen en weer geschoven. Op een gegeven moment kwam het idee op om het beeld te plaatsen op het Binnenwegplein, waar het volgens de commissie Internationale Beeldencollectie (IBC) in een ‘dynamische’ ruimte kon bijdragen aan de ‘ontmoeting tussen kunst en maatschappij’. Ook al werd dit plan tot op heden niet verwezenlijkt, die ontmoeting leidde al bij voorbaat tot een groot misverstand. Terwijl kunstenaar McCarthy zijn ‘Santaclaus’ bedoelt als een aanklacht tegen het doorgeschoten consumentisme in de westerse wereld, zag voorzitter Ed Haarman van winkeliersvereniging Nieuwe Binnenweg in het beeld juist ongekende mogelijkheden om de omzet van de winkeliers in de buurt tot grote hoogten op te stuwen. ‘Iedereen wil dat kunstwerk een keer in het echt zien’, zei Haarman, ‘en dan kopen ze bij mij gelijk een spijkerbroek.’ Hij vond dat er ook een souvenirwinkeltje bij het plein moet komen: ‘Leuk met buttplugsleutelhangers, kaarsen, en andere spulletjes.’
Maar de andere winkeliers en de omwonenden zagen helemaal niets in Kabouter Buttplug. Zij vreesden juist dat de buurt er een negatief imago door zou krijgen. Een vrouw zei: ‘Dit kan toch niet? Ik ben bijna zeventig jaar oud en dan moet ik voor het raam naar dat ding kijken.’
Inmiddels heeft het Rotterdamse college van B en W voorgesteld ‘Santaclaus’ een jaar lang tentoon te stellen op de binnenplaats van museum Boijmans Van Beuningen. Als de gemeenteraad accoord gaat, wordt het beeld op 26 september onthuld.
Een lege tent
De adviescommissie Internationale beeldencollectie lijkt het beeld van McCarthy juist te hebben uitgekozen omdát het controverse oproept. Voorzitter Van Caldenborg is dan ook helemaal niet beledigd door de discussie die rond ‘Santaclaus’ is ontstaan. Hij kan zich zelfs goed voorstellen dat er bezwaar wordt gemaakt tegen het gigantische bedrag dat voor het beeld moet worden betaald, ‘zeker van mensen die niet thuis zijn in de hedendaagse kunst’. Hij had ook kunnen zeggen: ‘Zeker van mensen die niet op de hoogte zijn van de The Institutional Theory of Art.’
Het werk van McCarthy wordt door de kunstkritiek nadrukkelijk geplaatst in de lijn die in het begin van de vorige eeuw is uitgezet door Duchamp. Het is opzettelijk banaal en afstotelijk, om zodoende controverse op te roepen. En het is geslaagd als het die controverse inderdaad oproept. Daarom is het een beetje hypocriet dat Van Caldenhoven de protesten tegen ‘Santaclaus’ relativeert door ze te vergelijken met de protesten tegen het beeld `De verwoeste stad’ van Ossip Zadkine. Dat beeld kon toen ook niet, ‘nu wil geen Rotterdammer het nog kwijt’.
Deze vergelijking klopt niet omdat het dadaïsme waarvan het beeld ‘Santaclaus’ een exponent is, zich juist afzet tegen de traditionele esthetische normen die overduidelijk wél aanwezig zijn in het beeld De verwoeste stad.
Wie dacht dat met de Rotterdamse Sekskabouter het dieptepunt van het hedendaagse kunstbeleid wel is bereikt, heeft buiten de gemeente Zwolle gerekend. NRC Handelsblad van 29 november 2004 bericht:
Een half jaar geleden kregen de bewoners van de nieuwbouwwijk Milligen aan de Plas in Zwolle een onthutsende ervaring. Het kunstwerk waaraan een Italiaanse kunstenaar in een afgesloten tent had gewerkt bleek bij de onthulling niet te bestaan. Kunstenaar en kunstwerk waren een fictie. De zeepbel van hoge verwachtingen was geknapt en dat was precies de bedoeling van de Nederlandse kunstenares. Het proces zelf bleek de kunst te zijn geweest en was vastgelegd op film.
Dit wordt ‘conceptuele kunst’ genoemd. Ook deze kunstvorm, net als de Kabouter van McCarthy, wordt kunsthistorisch geplaatst in de lijn van de readymades van Marcel Duchamp. Uit dit voorbeeld blijkt dat niet alleen alles kunst kan zijn, maar dat ook letterlijk niets kunst kan zijn. Niets was in dit geval goed voor een subsidie van 138.000 euro.
Het Thorbecke-virus
Hoe komt het dat de overheid zich laat bedriegen door dit soort ´kunstenaars´ en bereid is zo buitensporig veel gemeenschapsgeld te besteden aan een lege tent en een kabouter met een dildo? Dat komt door het al eerder genoemde Thorbecke-principe dat de overheid geen oordeel over kunst hoort te hebben. Zoals de revival van het dadaïsme in de jaren zestig het onvermogen van de beeldende kunst maskeerde, zo maskeert dit principe de onmacht van de politiek om een inhoudelijk cultuurbeleid vorm te geven. Schrijver Maarten Asscher - van 1998 tot 2003 kunstambtenaar op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap – maakte in de Volkskrant van 22 augustus gehakt van het Thorbecke-principe: ,,Het vermaledijde Thorbeckeadagium, dat een kleine 150 jaar geleden in stelling werd gebracht in een kinderachtige parlementaire ruzie tussen twee liberalen over een passage in de door koning Willem III uitgesproken troonrede, heeft als een virus generaties van cultuurpolitici en beleidsmakers in zijn greep gehouden. Die hebben in Thorbeckes tot mantra verworden uitspraken een excuus gevonden om helemaal niets meer te formuleren dat vanuit het landsbestuur naast het eigen, immanente gezag van de kunst geplaatst zou kunnen worden.’’ Asscher legt uit dat ‘het absurd is Thorbecke een soort peetvaderschap van de moderne Nederlandse cultuurpolitiek toe te dichten omdat Thorbecke er geen voorstander van was om kunstenaars geld te geven en ´hij zich vermoedelijk in zijn graf zou omdraaien als hij zou vernemen dat er heden ten dage in Nederland duizenden kunstenaars zijn die individueel of in gezelschappen jaarlijks vele honderden miljoenen euro aan kunstsubsidies ontvangen’.
Niemand zal beweren dat het eenvoudig is voor overheid en parlement om te komen tot een inhoudelijke afweging van welke kunst in aanmerking komt voor overheidssteun en welke niet. Maar iedereen voelt op zijn klompen aan dat kabouter Buttplug-kunst boerenbedrog is. Eén keer was het leuk, met de urinoir-grap van Duchamp, maar nu is het mooi geweest. We laten ons niet langer voor de gek houden.
Dit artikel verscheen eerder in Trouw (10 september 2005).
Overgenomen met toestemming van de auteur. Een uitgebreide kritiek op de Institutional Theory of Art staat in het boek What Art Is van Kamhi en Torres, en het boek Art versus Nonart van Tsion Avital. Lennaart Allan is geen principieel tegenstander van het subsidiëren van kunst.
Noot van de redactie:
Uiteraard zal de lezer begrijpen dat het libertarisme wel tegen elke overheidssubsidie is. Maar daar gaat dit artikel niet over. Zie daarvoor andere bijdragen op deze site.
Kunst bestaat bij de gratie van verandering en variatie. Advies is dus kunst in al haar diversiteit te zien / te beschouwen. Of je wilt of niet, maakt hierin geen verschil. Wil je het anders? Maak dat dan zelf. Met of zonder overheidssubsidie. Bedenk overigens wel dat kunst ook geld oplevert en wel vele malen meer dan al dat geklaag erover.
groet,
“Rembrandt the Rebel”